elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spurrie

spurrie , spaor , sparrie, sperwe, spirwe, spōrries, spurwe , spurrie, Overijs. spirrie
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
spurrie , spörrie , spurrie.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
spurrie , spùrrie , m , plant uit de sterremuurfamilie, dat als veevoer werd gebruikt. Maar ook als groenbemesting.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
spurrie , spirre , spirrie, spirro, spurrie, sparre, sporrie, sporrie , de , (Zuidoost-Drenthe). Ook spirrie (Zuidoost-Drents veengebied), spirro (Zuidoost-Drents zandgebied), spurrie (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe), sparre (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), sporrie (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), sporries (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, ti), spirwe (dva), spurwe (dva), sparve (Zuidwest-Drenthe, zuid), sperwe (dva) = spurrie In het naojaor verbouwde de boeren vrogger knollen, sparre en botterzaod (Bro), Zuw op de hokkenstreek nog spurrie zeien? (Gie), Even wat knollen en sparre anhaelen vèur de koenen (Dwi), De koenen kregen sparve in de geute (Geb), Gehakselde spirre en lienmaal wuurd bruuid in een tun (Pdh), z. ook Ommen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spurrie , spörrie , spurrie, een muurachtig gewas, gebruikt als veevoer.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
spurrie , spurrie , spurrie , Héij zie zó zwart, dég’ge wél spurrie in z'n órre zód kunne zaoje. Hij ziet zo zwart, dat je wel spurrie in zijn oren zou kunnen zaaien. Die heeft wel eens een grote wasbeurt nodig.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
spurrie , spörrie , spurrie, muurachtig gewas
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
spurrie , spùrrie , spurrie , Wâst oew órren is, want ge kant ’r ónderhand spùrrie in zèèje. Was je oren eens, want je kunt er onderhand spurrie in zaaien. Dan heb je toch wel heel vieze oren.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
spurrie , spirrie , zuring; wilde spörrie, heidespurrie (spergula vernalis) (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
spurrie , spörg , spurrie, plant
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
spurrie , spurrie , zelfstandig naamwoord , "spurrie (als veevoer gebruikte plant) - spergula arvensis; gezegde - Er groejt spurrie in oew oore. Ge kunt er spurrie in zaaje. (gezegd tegen iemand wiens oren vuil zijn); Gao oew èège afwaase, jè oew oren heuren er ôk bij. Zô te zien groeit er nog net ginne spurrie in’. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Pierre van Beek – ""Dat komt uit als spurrie met ’n mikske (…) Voor een niet-Tilburger is deze uitdrukking ongetwijfeld met duisternis omhangen. ""Spurrie"", dat als voeder voor het vee door de boeren op de akker verbouwd wordt, kent men nog wel, maar met dat ""mikske"" wordt het al wat moeilijker. Dit is het verkleinwoord van ""mik"". En hieronder verstaan wij in onze streken (behalve een wittebrood) ook een ""gaffel"". ""Gaffel"" heeft ook de betekenis van hooivork maar die wordt hier niet bedoeld, al houdt ook deze benaming toch wel verband met onze ""mik"". Een ""mik"" dan duidt een vorm aan van een Griekse ie, dus Y. Men treft deze o.a. veel aan in houtgewassen, daar waar takken of stammen zich in V-vorm splitsen. Nu schijnt het een eigenschap van spurrie te zijn, dat deze zich ook V-vormig vertakt. Als dit gebeurt, wordt voldaan aan een voorwaarde, waaraan spurrie behoort te voldoen. Dan is de zaak in orde. Dan ""klopt"" ze dus. (Tilburgse taalplastiek 1 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 4 februari 1950); Van Beek - De koei hebben 't spurrie af. - 't Loopt op z'n eindje.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959); Pierre van Beek - gezegde - Hij heej nen bèùk as en spurriekoej (= dikke buik) (Tilburgse Taalplastiek 131); Cees Robben – [Een landbouwer spreekt:] Drie daoge luiplocht... en de spurrie is wir naor de klôôte... (19711015); WBD I:1401 spurrie, Spergula arvensis, plantesoort v. d. orde der muurachtigen, met vliezige steunblaadjest 'spurrie', 'spörie'; Henk van Rijen - in oew oore kunde spurrie zaaje - wat heb je vuile oren!; Hees spurrie (II:35); Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - SPÖRRIE zelfstandig naamwoord  v + m. - spurrie; K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster, 1968) - SPURRIE - een zeker kruid, waarmede de melkbeesten in het najaar worden gevoed, zijnde dit van een algemeen gebruik. Hier van daan wordt de najaarsboter 'spurrieboter' genoemd. Kil.: sporie, speurie, spurrie; J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - SPURRIE-BOTER is die boter, welke in het najaar gemaakt wordt, wanneer het vee, bij gebrek aan gras, met spurrie gevoed wordt. Z.a. A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. 'spurrie' Z.a. Pierre van Beek: spurrie; We hebben er een paar voor u uit Tilburgse mond opgetekend. ""Dat komt uit als spurrie mee 'n mikske"", hoorden we eens een stadgenoot zeggen. Voor een niet-Brabander gaat deze uitdrukking beslist in nevelen gehuld. Daar hebben we op de eerste plaats ""spurrie"", een nagenoeg verdwenen akkerproduct, dat onze boeren eertijds voor veevoeder plachten te gebruiken. Men gebruikte het in de ""baomistijd"", in de tijd dat het vee in hoofdzaak op stal stond. Hoewel uitstekend veevoer kon men het maar een drie weken gebruiken, daarna rotte het weg, vertelde ons een boer. Zo heeft dit woord wel zijn beste tijd gehad. Het gaat ons hier echter méér om dat duister ""mikske"", een verkleinwoord van ""mik"". Nu weten ze in Tilburg nog heel goed het verschil tussen ""brood en mik"", waar een ""Hollander"" ook nog naar moet raden, doch in die zin wordt ""mikske"" niet in onze vergelijking gebruikt. Daarnaast horen we het woord ""mik"" in de betekenis van ""gaffel"", die op haar beurt weer een hooivork is. En hiermee beginnen we dan wel in de buurt van onze ""mik"" te komen. Een ""mik"" duidt de vorm aan van een Griekse ie, dus een Y. Men kan die vorm vinden in houtgewassen daar waar de takken of stammen zich in V-vorm splitsen. De eerste wichelroedelopers bedienden zich van zo'n mik (bij voorkeur van een hazelaarstruik) en de schooljongens hadden een ""mik"" nodig voor hun kattepult. Een eigenschap van spurrie is nu, dat hij - direct bij het UITKOMEN uit de grond zich in een ""mik"" splitst. Dit splitsen behoort dus eigenlijk tot de essentiële kenmerken van de spurrie. Zulke spurrie is échte spurrie. Het klopt dus prachtig en daarom gebruiken onze mensen de gegeven uitdrukking om aan te geven, dat iets is zoals het behoort te zijn... [Tilburgse Taalplastiek 5 mei 1964]"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut