elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spoor 

spoor , spoor , vrouwl.: an de spoor.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
spoor , spü̂r , (onzijdig) , wagenspoor.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
spoor , spoor , (vrouwelijk) , spoortrein: hé vôr met de spoor nao Arum, hij ging met den trein naar Arnhem.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
spoor , spoor , (onzijdig) , wagenspoor.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
spoor , [timmerwerk] , spóre , (vrouwelijk) , sporen , spoor, getimmerte.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
spoor , spoor , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – Op schepen. Het spoor van de mast, dat deel van de mastkoker, waar de mast bij het opzetten of neerlaten met het gewicht langs loopt. Evenzo in het Stad-Fri. – Vgl. de samenst. lantaarnspoor.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
spoor  , spaor , spoor. Nao et spaor gaon, naar het station gaan.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
spoor , spuaaren , meervoud , sporen van een ruiter of een haan
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
spoor , spuaaren , meervoud , dakspanten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
spoor , spüür , onzijdig , spüürs , wagenspoor
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
spoor , spoer , zelfstandig naamwoord, onzijdig , spoers , spoerkn , 1 spoor, 2 spoorbedrijf. Met t spoer, met de trein
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
spoor , spoore , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , spoorn , spuerkn , schuin omhooglopende dakbalk
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
spoor , spoor , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: 1. De Spoorwegen. || Hai werkt bai ’t spoor. 2. De (spoor) trein. | Hai komt mit ’t spoor van tiene(n). 3. Spoorlijn. | De koeie loupe over ’t spoor (= aan de overzijde van de spoorlijn). 4. Station. | Hai weunt recht over ’t spoor.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
spoor , van het spoor naar het hoofd , Een zondagse wandeling van het spoor door of langs de Plantage naar het Hoofd (en omgekeerd).
Bron: Feelders, Paul (1991), ‘Van gistkladder en ouwetijer. Iets over het Schiedamse dialect’, in: Scyedam, het blad van de historische vereniging 17, 4-12
spoor , spoor , zelfstandig naamwoord , 1. weg naar de boerderij (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha) Een melkspoor is het pad dat naar het weiland loopt, waar langsgegaan wordt als gemolken moet worden (Coth) 2. (zn) wagensporen op een onverharde weg (bijvoorbeeld een dijk) (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab) Te onderscheiden zijn een pèèrdespoor en een wielespoor . Een pèèrdespoor is enkelvoudig, een wielespoor dubbel. Op een dijk had je dan ook altijd drie sporen. Een spoor is in de Lopikerwaard dus iets anders dan in de Kromme-Rijnstreek. Waar de Kromme-Rijnstreek spreekt van spoor , heeft de Lopikerwaard het over *sticht .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
spoor , spoer , spoor, karrespoor.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
spoor , spoaren , houten balken (zn.).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
spoor , spoers , sporen (van kar).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
spoor , spoor , spoaren , 1. spoorweg(overgang); 2. spoor.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
spoor , speur , spoor , het , speuren, speurs , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook spoor (Noord-Drenthe) = 1. spoor In de snaai keuj het spoor goud zein (Een), Wij bint het spoor kwiet worden (Rol), Zij bint wat op het speur (Pdh), Hij kun gien speur holden was dronken (Sle) 2. wagenspoor Ie moet in het speur blieven (Man), Toen ik hum met de wagen tegenkwam, mus ik op het halve speur over de helft van de weg (Sle), Daor waren diepe speuren te zien van een wagen (Hgv) 3. sleuf (Zuidwest-Drenthe) Een speur graeven veur ofvoer van het waeter greppeltje (Dwi) 4. begin (Zuidwest-Drenthe) As ie het speur lös hebt, dan kunden ie begunnen te törfgraven of te laand ontginnen als je een begin hebt gemaakt (Geb), Aj het speur maar eenmaol lös hebt, dan bi’j al mooi op weg als de kop er af is (Hol), z. ook bij spoor
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spoor , spoor , de , sporen , (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe) = één van de ijzeren pinnen, die de veenarbeider in de tweede laag onder klomp of schoen had om niet uit te glijden op de vrij steil omhooglopende gladde post, z. ieskram
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spoor , spoor , spaor , de , sporen, sporens , Ook spaor (Zuidwest-Drenthe, zuid) = dakspar, spant Sporen bint de balken tuschen de plaat en de nok (Sle), Sporens bint de schuun opstaonde balken, woor het dak op rust (Gee), Zo gauw as de sporens op het huus bint, komp de meiboom der op (Wap)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spoor , spoor , de , sporen, sporens , spitse punt Hoe older de haone, hoe langer de spoor (Ros), Bie het peerdevolk hebt ze sporen an de stevels (Bov), Het pèerd de sporens geven (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spoor , spoor , het , 1. spoor, afdruk Zie hebt hum nog niet te pakken, mor zie bint hum wel al op het spoor (Eex), De inbrekers hebt een spoor achterlaoten (Emm), z. ook speur 2. treinrails Ze gungen met lorries over het spoor (Hoh), Zij woont in Emmen an het spoor (Sle), Ik mus veur het spoor wachten bij de spoorwegovergang (Wijs) 3. trein Ik kome mit het spoor (Ruw), Vrögger reisde ik mit het spoor altied darde klasse, dat gung harder grapje: de banken waren van hout (Mep) 4. spoorwegen Hij warkt bij het spoor (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spoor , spoor , trein.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
spoor , speur , (Kampereiland, Kamperveen) karrespoor
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
spoor , spoor , (Gunninks woordenlijst van 1908) spoortrein
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
spoor , spoer , spoor.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
spoor , spoor , zelfstandig naamwoord , de 1. prikkel aan ruiterlaars 2. stekelachtige uitwas aan de poot van een haan 3. klimschaats, klimbeugel 4. hetz. als spante, juffer 5. spore, voortplantingscel van lagere planten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
spoor , spoor , zelfstandig naamwoord , et 1. spoor 2. gegraven gleuf, bijv. een spoortien greven, een spoor maeken een geul, sleuf graven 3. naast elkaar liggende spoorrails, spoorweg, bijv. een dubbel(d) spoor, inkeld spoor 4. spoorwegstation, bijv. De stoelewaegens gongen d’r langes naor et spoor 5. bedrijf van de spoorwegen 6. spoortrein, bijv. We gaon mit et spoor; as spoor heel goed lopend, gaand enz.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
spoor , spoor , 1. rails; 2. trein
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
spoor , spoer , spoor (verouderd); spoeren, 1. speuren; 2 een spoor volgen; 3. een spoor achterlaten; 4. sporen (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
spoor , spoear , (onzijdig) , spuuer/spoeare , spuuerke , 1. spoor 2. spoorweg , D’n hóndj ruuktj ’t spoear.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
spoor , spoor , zelfstandig naamwoord , spoor, spoorwegen; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et Bèls spoor isser niks bij (Pierre van Beek – Tilburgse Taalplastiek 1965) - de spoorlijn naar België is er niets bij (tegen iemand wiens opschepperij men doorziet); Frans Verbunt – hij kan et weete, want hullië paa wèèrkt bij et spoor; WBD III.3.1:408 'spoor', 'spoorlijn, spoorweg' = spoorweg; WBD III.3. 1:412 'spoortrein' = trein
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
spoor , spaor , spaore , spoor; spoorweg
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut