elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spocht

spocht , spochte , veldduif.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
spocht , spochte , (vrouwelijk) , veldduif.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
spocht , spuchte , Gen spuchte make, geen buitensporigheden maken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
spocht , spogten , Kerk-duiven. Wilde duiven.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
spocht , spuchte , raar streek.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
spocht , [duif] , spochte , bastaard duif.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
spocht , spocht , spoch , (zelfstandig naamwoord) , klamme nattigheid.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
spocht , spocht , klamme nattigheid; spochterig, klammig nat (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
spocht , [fratsen] , spuchte , toeren, fratsen , Doe mós gein gekke spuchte oethoeale.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
spocht , spuchte , capriolen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut