elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: splijten 

splijten , splîten , (sterk werkwoord) , splijten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
splijten  , spliete , splijten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
splijten , splieten , splet, espletten; ik spliete, dů splitst, hei split, wi, i, zei splietet [split̥] , splijten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
splijten , splietn , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: split, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: spleet , splijten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
splijten , spluetn , werkwoord, zwak , splijten, van dun hout
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
splijten , splieten , sterk werkwoord, overgankelijk , splijten De nagel is mij splutten (Pdh), Aj borduren wilt, moej het gaoren eerst splieten (Hijk), Dat stuk holt wil niet splieten (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
splijten , splietn , splijten.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
splijten , splieten , werkwoord , splijten, bijv. een hooltien splieten, De wegen spleten heur daore splitsten zich
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
splijten , splieten , (werkwoord) , split, spleet, espleten , splijten, splitsen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
splijten , spliete , splietj/splitj, spleet, gesplete , splijten
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
splijten , splèète , sterk werkwoord , splijten; B splèète - splêet - gespleete - in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij splèt
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
splijten , splie~te , spleet – gesplete , splijten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut