elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spijt 

spijt , spiit , de afval van gebraakt vlas; dient om er touw en grof garen van te spinnen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
spijt , spiet , Ieder die eenigen tijd op het land heeft verkeerd, zal er in het najaar, wanneer het vlas is ingezameld, eene bijzondere en tevens vermoeiende bedrijvigheid onder het jongere vrouwvolk hebben opgemerkt. – Eer toch het lijnwaad tot hemden, lakens enz. kan versneden worden, moet het, als bekend is, verschillende bewerkingen ondergaan. Het vlas toch wordt eerst geplukt, geropt (van de zaadknoppen ontdaan), geroot (te rotten gelegd), gedroogd, gebraakt, gehekeld, om vervolgens gesponnen, geweven, geloogd, gebleekt en opgemaakt te worden en aldus zijne eindbestemming te gemoet te gaan. De afval onder het braken, wordt doorgaans, als van geene waarde, op de vaalte geworpen; doch de grovere vezeldraden, die bij het hekelen afvallen, worden verzameld en bewaard, om gesponnen en tot het maken van zakken als anderzins gebezigd te worden. Dezen laatst genoemden afval nu, noemt men in Gelderland en Overijsel spiet, (ook wel starthakke), en de wissen of vlechten er van spietkötten of ködden. Wellicht is het woord verwant aan het Hollandsche spalten, Engelsch to spelt, Hoogduitsch spalten, scheiden, scheuren, van een rijten. Vergelijk voorts den Heer Posthumus, Opheldering van Friesche woorden enz. in den Vrijen Fries, 1846, IV. 98 en volg. op hikkelje.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
spijt , spiet , heede, of: afval van vlas, waarvan nog grove draden gesponnen worden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
spijt , spît , (mannelijk) , spijt.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
spijt , spît , (onzijdig) , uitgehekeld vlas, werk, minder soort, ook plukke genaamd; zie heet en sterthakke.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
spijt , spît , (onzijdig) , Vlas. (Vooral zoo gen. als ʼt gebruikt wordt om iets dicht te maken).
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
spijt , spiet , afval v. vlas, V, 55.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
spijt , spît , (onzijdig) , Vlas. (Vooral zoo gen. als het gebruikt wordt om iets dicht te maken.)
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
spijt  , spiet , spijt.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
spijt , spijt , Werk uit vlas of hennip.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
spijt , spiet , zelfstandig naamwoord, onzijdig , spijt
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
spijt , spiet , v , spijt Erreges spiet af hébbe Ergens spijt van hebben.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
spijt , spitj , spijt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
spijt , spiet , de , spijt Wij hebt er gien spiet van had dat wij dat hoes kocht hebt (Odo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spijt , spiet , de, het , (veroud.) = 1. vezels van de vlasplant (dva) 2. afval van vlas (dva, Zuidwest-Drenthe, zuid) Spiet wörde vrogger gebruukt um een harte in de pompe vaste te staampen (Hav), Grof spiet afval van de grove hekel; kleen spiet afval van de kleine hekel (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spijt , spiet , spijt
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
spijt , spiet , Gunninks woordenlijst van 1908: afval van vlas (niet Kampen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
spijt , spiet , spijt. Wat heb ik ’n spiet, dat ik niet intieds ’n paer koene eköf hebbe.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
spijt , spiet , spijt, ruw vlas.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
spijt , spiit , spijt , Is de bie dur’ren angel kwiit, dan stééreft ze gaauw van spiit. Is de bij haar angel kwijt, dan sterft ze vlug van spijt. Niet te vlug je laatste kruit verschieten.
Ge moet aalté zörrege dég'ger lôtter gin spiit af krécht, dan lèèf'de gelukkeger. Je moet altijd zorgen dat je er later geen spijt van krijgt, dan leef je gelukkiger.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
spijt , spiet , zelfstandig naamwoord , de; gevoel van spijt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
spijt , spiet , (zelfstandig naamwoord) , spijt.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
spijt , spiet , (mannelijk) , berouw, spijt
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
spijt , spèèt , zelfstandig naamwoord , spijt; En ik hè d'r gin spijt aaf gehad!... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929); Cees Robben - spèèt; WBD III.1.4.246 'spijt' = verdriet; Antw. SPIJT zelfstandig naamwoord o. en niet vr. i.p.v. 't is spijtig' zegt men veel: 't is spijt.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
spijt , spie~t , spijt
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut