elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spie 

spie , spie , wigge. Als eene zaak op niets, eenen sisser afloopt, zegt men: dat komt of loopt op eene spie uit.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
spie , spei , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) = waar men gemakkelijk kan inzien, open en bloot, inkijkerig; spei vertrek = eene kamer in welke men licht bespied kan worden, waarin men van buiten alles duidelijk kan waarnemen; spei zitten = zóó zitten dat men door ieder gezien kan worden, dat men in ’t oog vallen moet; “Aan kanten van ’t gedien, van grond aof aan zolder tou (nl. in den nieuwen schouwburg) wazzen ook nog leutje kaomerkes daor ze hail spei ien zatten.”’t spei in de wind hebben, (bij de schippers: stik in de wind) = tegen den wind in moeten loopen of rijden. Heeft men op (bv.) eene eereplaats in ’t geheel geene aanspraak, dan staat: spei zitten gelijk met: zitten ten spot van anderen. Oostfriesch spê, spêi, spêje = aan het oog (van anderen) of aan den wind, de zee, enz. blootgesteld; Hoogduitsch spähig, van: spähen = vorschend rondzien, (be)spieden. Overijselsch spee, Oostfriesch spê, spêi, spêje = spot, hoon, Nederduitsch speie, spee, spei, Middel-Nederduitsch spê, spei, speige, spie, spihe = spottend, honend. Zou oorspronkelijk één zijn met het Oud-Hoogduitsch spâhi, Oud-Middel-Hoogduitsch spähe (verstandig, slim, sluw, enz.); Middel-Hoogduitsch spaehe (wijs, scherpzinnig; wijsheid, scherpzinnigheid) wonderlijk; spottend, enz. en ontstond daaruit het Middel-Nederduitsch spê, spei, speyge (hoon, spot, verachting), alsook: speige (onderzoeking, bespieding, enz.); Engelsch spy, Zweedsch spe = spot, hoon. – Vgl. v. Dale: spie = bespieder, bij Vondel = spion.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
spie , spie , (zelfstandig naamwoord) , Geld. || ’k Moet van de week wat zuinig an, want ik heb niet veul spie.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
spie , spei* , (bijvoeglijk naamwoord): men denke aan “bespieden” (Hoogduitsch: spähen), waarvan ook: spie = bespieder, spion.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
spie  , spie , wig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
spie , spie , cent
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Winschoter bargoens, in: Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank
spie , spie , zelfstandig naamwoord , driehoekig stuk grond, décolleté. 1. ’k Hè daor nog ’n spie ligge waor ’k toch niks meej doe. 2. Die mokkel ha me toch ’n spie! Ge keekt bekant teejge d’re naogelbùik. Die meid had me toch ’n décolleté! Je keek bijna tegen haar navel aan. Zie ook: schap.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
spie , spie , de , spieën, spies , 1. spie Een spie, ...luns zat deur de as van de waogen um te zörgen dat het rad er niet oetlopen kun (Row), Een spie holdt het kamrad vast op de asse (Bco), Ik moet een neie spie in de trapasse van de fietse hebben (Klv) 2. wig ...en dan slao je der een spie bij in dat e goed vaast zit (And) 3. geld Die kan het wel betalen, hij hef spie zat zit er warmpjes bij (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spie , spiy , spie, wig, stuk taart.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
spie , spie , zelfstandig naamwoord , de; ijzeren pin in de as voor het wagenwiel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
spie , spie , zelfstandig naamwoord , geld Hej jij spie? Heb jij geld bij je?
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
spie , speej , wig
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
spie , spie , zelfstandig naamwoord , driehoekig perceel (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
spie , spie , zelfstandig naamwoord , spieke , decolleté; punt (van b.v. taart); wigvormige straathoek; WBD geerakker, niet-rechthoekige akker (Hasseltse term); WBD III.1.1:119 'spie' = boezem; Cees Robben – ... En ze had ’n spie tot aon de soons toe.. (19780804) [decolleté tot aan haar navel; namelijk daar waar men bij het maken van een kruisteken met de hand op de ‘zoon’ wijst.]; Cees Robben – Mèèn boerinnekes die blèèven/ Van d’n aauwverwetsen staand... / En die draogen nog gin spiekes/ Net as gij juffrouw... ’t is schaand..!  (19600116); Interview dhr. Van den Aker – 1978 – “Vruuger môogde nòg nie in de kèrk koome as ge en spie ha! Dan moeste de kèrk èùt, dan moeste irst dè dicht doen aanders môogde nie in de kèrk koome…èn asser nouw zon mèèd meej en aorege spie in de kèrk komt, gao de pestoor stòn te kèèke… zôo… gòdverdomme!” (transcriptie Hans Hessels 2014); Jan Naaijkens - Dè's Biks – spie zelfstandig naamwoord  - driehoekig stuk grond, décolleté; - geldstuk ter waarde van vijf cent; Cees Robben – ennigte spie – een paar stuivers (19551119); Antw. SPIE zelfstandig naamwoord  v. - dikke snede; spievormig stuk grond; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal – SPIE v. - 1) wigvormig stuk hout of ijzer... 2) spits toelopend stuk grond... 3) décolleté dat ontstaat door de bovenste knoop van de bloes te openen: een spie tot zoons - een décolleté tot die plaats op de borst waarop geklopt werd bij het maken v. h. kruisteken. Z.a. A.P. de Bont – zelfstandig naamwoord vr. 'spie' 1) kleine wig; 2) puntig toelopend stuk land.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut