elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: speknek 

speknek  , speknek , dikke hals.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
speknek , speknek , m , dikke nek (als van een bokser.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
speknek , speknek , zelfstandig naamwoord de , 1. Dikke nek. 2. Rijke boer, rijkaard.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
speknek , spèknèk , zelfstandig naamwoord , dikke, vlezige nek, zowel bij mensen als bij dieren.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
speknek , speknak , de , 1. dikke nek Dikvreters hebt almaol van die speknakken (Eex) 2. rijkgeworden man Wat een dikke speknak, ...diknak (Sle) *Speknak of moezenak vraag aan een kind, dat dan in de nek werd geknepen. Het antwoord moest dan zijn mien iegen nak anders ging de knijper door (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
speknek , spèknèk , zelfstandig naamwoord , patser (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut