elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snottebel 

snottebel , snotbiebel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Ook snotbriebel. – a) Snotneus, vieze neus. || Veeg je snotbriebel of. – b) Als scheldwoord. || Lillike snotbiebel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
snottebel  , snôtterbel , een vuile neus.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
snottebel , snotterbelle , snotterbel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
snottebel , snötbel , snötbengel, snöttebel, snottebel, snotterbel , de , Ook snötbengel (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), snöttebel of snottebel (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), snotterbel (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. snottebel Dat kind lop aaid met een snötbengel under de neus (Eex) 2. kwajongen (Kop van Drenthe) Wat een snötbel van een jong (Zui) 3. vuil stukje glas in een fles (glasbl., db:Nbui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snottebel , snòttebelle , 1. snottebel; 2. klein kind
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
snottebel , snotbèlle , snotneuzen, kwajongens , Vruuger hôn kénder snotbèlle, teegewórreg hébbe snotbèlle kénder. Vroeger hadden de kinderen snotneuzen, nu hebben de snotneuzen kinderen. De wereld verandert vlug.
Wa zén't toch snotbèlle, ze moete toch ók aalté wa ûthaole, és'se de kans kriige. Het zijn toch kwajongens, ze moeten toch altijd wel iets uithalen, als ze de kans krijgen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
snottebel , snottebelle , snotteballe , zelfstandig naamwoord , de 1. bel snot 2. iemand die met snottebellen loopt 3. eigenwijze vrouw of evt. meisje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
snottebel , snotterbelle , (zelfstandig naamwoord) , 1. snottebel; 2. katjes van els, berk of hazelaar; 3. scheldnaam.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
snottebel , snotbèl , snotneus, snottebel, vrucht van de taxus
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
snottebel , [snottebel ] , snoterbel , (vrouwelijk) , 1. snottebel 2. klein kind, snotneus
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut