elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snotterneus 

snotterneus , [klein kind] , snòtternöze , snòttenöze , Snotneus (ook pers. naam).
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
snotterneus , snòtternöze , snòttenöze , Snotneus (ook pers. naam).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
snotterneus  , snôtterneus , een vuile neus.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
snotterneus , snotternöze , snotnöze , (zelfstandig naamwoord) , 1. snotneus; 2. zie: snot-ape.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
snotterneus , snoternaas , (mannelijk) , 1. snotneus 2. klein kind
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut