elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snotje 

snotje , snotje , in: dat heb ik in ’t snotje = dat vat ik, daar ben ik achter, bij v. Dale: in den snotter. Eigenlijk zooveel als: daar heb ik den reuk, het spoor van.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
snotje  , snôtje , Wat in et snôtje hebbe, iets in de gaten hebben.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
snotje , snotje , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze ientje in ’t snotje hewwe, iemand in de gaten hebben, doorzien. Vgl. Fries ean yn ’t snotsje hawwe. – Ientje voor ’t snotje houwe, iemand voor de gek houden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
snotje , snottien , zelfstandig naamwoord , in in ’t snottien kriegen/hebben het door krijgen/hebben
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
snotje , snotje , in het snotje hebben; in de gaten hebben
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut