elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snibbig

snibbig , snibbig , (bijvoeglijk naamwoord) , snibbig.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
snibbig , snebbig , snibbig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
snibbig , snibbig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , snibbig, vinnig Die vrouw kan zo snibbig praoten, het is net of ze altied kwaod is (Pei), Die vrouw gaf zo’n snibbig antwoord (Zwin)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snibbig , snichel , zelfstandig naamwoord , de 1. snibbige, bitse en evt. verwaande vrouw of meisje 2. klein, grappig maar ook enigszins ondeugend kind
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
snibbig , snebbetig , snibbig , Zeet noe ins neet zoea snebbetig!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut