elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snee

snee , snede , Snede van laken houden leest men in de verlegging der weeckmarkt te Breda van Maandag op Dingsdag, te vinden bij VAN GHOOR, beschrijving van Breda, bl. 446, voor laken verkoopen. Hiervan had men nog niet lang geleden te Dordrecht en elders het wandsnijders-gild.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
snee , [eetpartij of koffievisite] , sneê , eetpartij of koffievisite, vooral een vrouwenkransje eenigen tijd na de bevalling, na het betrekken eener woning of bij eene of andere gebeurtenis. Zo
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
snee , snee , (= snede) = streek, op schaatsen; ook Gron. Overijs.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
snee , snee , (snede), snede van klaver of gras; in dat hooiland zit ’n dikke snee gras = d’r zit ’n dikke snee op, zooveel als: dat gras is lang en dicht, daar komt veel hooi van; dat is de twijde snee = dat wordt voor den tweeden keer gemaaid; in: an de snee brengen = met het gebruik van iets beginnen, er de eerste schijf afsnijden; de schinke, de stoete, de keeze, enz. is an snee = met het gebruik er van hebben wij een begin gemaakt. Zoo ook met de afgraving van hoogveen, dat o.a. ook in een vers van Hendrik Wester (Oude Pekela) voorkomt: “Zag nu Klook eens weer de stêe, Waar hij veengrond bracht aan snee, Zag hij eenmaal weer den grond, Waar zijn eerste hut op stond; Zag hij alles in ’t verschiet, Neen, dien grond herkende hij niet! Alles was toen wildernis, Waar nu bloei en welvaart is.” ‒ Zoo zegt men ook: wie hebben ’n groote botterpot an snee, waar ook alleen van: afsteken, sprake kan zijn. Zelfs breidt men het uit zonder dat daarbij aan snijden of steken gedacht kan worden, want men heeft ook een kistje met sigaren an de snee; streek, op schaatsen; snee hollen (Oldampt, ook Drente) = streek houden bij het schaatsenrijden, hand in hand of aan een stok achter elkander rijdend gelijke streken maken, zooveel als: in de maat blijven; lange of korte, rechte of kromme sneeën moaken = zulke streken doen, ook Overijselschsnee, zooveel als: insnijding; in: ’n snee (of: snip) in ’t oor hebben = dronken zijn. (v. Dale: een goede snee aanhebben, en: eene snee door den neus hebben); voor: tong, letterlijk voor: mond; ’n gouie snee onder de neus hebben = goed kunnen praten, eene gladde tong hebben, goed gebekt zijn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
snee , sneed , snede , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Snede. Tegenwoordig bijna verdrongen door de Holl. vorm snee. || Een sneed in iets maken. – Sneed is in het Stad-Fri. nog de gewone vorm.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
snee , snei , Geldersch snee.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
snee , sniedje , sneedje (brood).
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
snee , sniiê , vrouwelijk , sniiêchien , snee
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
snee , snee , zelfstandig naamwoord, mannelijk , snede, inkerving
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
snee , snie , zelfstandig naamwoord, mannelijk , snie , sniekn , snede, afgesneden plak
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
snee , sneej , snéêj , v , sneje , sneejke , (mik, brood) snede, sneden, sneetje (brood); sneej mik mi bótter en bótter boterham dik besmeerd met boter en verder niets; sneej mik mi kéês, vleîs enz. boterham met kaas, vlees enz.; snee, snede (wond); sneejke brood/mik schijfje r
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
snee , sneed , zelfstandig naamwoord de , 1. Snede, scherpte. | D’r zit gien sneed in dut mes. 2. Oogst van produkten die afgesneden worden. | Dut is bloemkoôl van de eerste sneed. Verkleinvorm sneetje. Sneetje, snee(tje) brood. In het Westfries is het woord boterham niet gangbaar. Het wordt konsekwent vervangen door snee(tje) of (voorheen) stik. Zegswijze ’n sneetje in ’t oor (in de neus) hewwe, dronken zijn. – Koik deer, ien kedétje mit ’n sneetje, schertsend gezegd van een (meisjes)achterwerk (in een strak gespannen broek).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
snee , snééj , snee (brood); uurste snééj, eerste hooi dat van een wei wordt gewonnen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
snee , snee , zelfstandig naamwoord , 1. in de uitdrukking een snee in z’n neus hebbe : dronken zijn (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 120). 2. in de uitdrukking iemand een snee in het oor geve : gezegd om een kind dat zich misdraagt, tot de orde te roepen (LPW: Cab) ‘Als je vroeger gek deed, dan zei m’n moeder: jongen, hou op, anders geef ik je een snee in je oor!’ (Cab) De uitdrukking vindt zijn oorsprong in het gebruik om een kalf dat wild geworden is, een snee in een van de oren te geven (zo diep dat het bloedde). Het kalf werd hier rustig van.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
snee , snee , 1. plak brood. 2. wond. 3. in neus of oor (uitdr.: aangeschoten door alcoholmisbruik).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
snee , snee , snegie , 1. snede gras; 2. snee.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
snee , snee , de, het , sneen, sneden , 1. snee Ik had een snee in de haand, het bloed guide der uut (Zdw), Daor zit wel snee an van lange mest (Vtm), De snee van de garve schuinlopend achtereind (Sle), Der zit een beste snee grös op grote hoeveelheid (Bro), Nao de tweede snee kwam er nog weer mooie naoweide tweede keer maaien (Bui), (fig.) Hie hef een goeie snee in het oor (Ker), ...in de neuze is dronken (Coe), (...) as hie het kwaod veur de snee hef een moeilijk karwei heeft (ti), Veur hetzulfde geld har ik ok een beste snee in de bukse had een strop (Bco) 2. scherpe kant Ik zal eerst wel haarden mutten, ik heb niks gien snee meer an de zende (Ruw) 3. streek bij het schaatsen Hie hef der gien snee op zitten kan niet goed schaatsen (Dwi), Hij maokt lange sneden (Row) 4. in an (de) snee een beginnen, bij het graven etc. Ik mot een nei bankie an ’t snee maoken bij het turfgraven (Ros), Die plaotse is al aan de snee men is begonnen met het afgraven of ontginnen (Eri), Wij hebt de paarsbult an snee (Eex), Wij hebt weer een nei pand an snee bij het aardappelrooien (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snee , snee , snee
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
snee , snee , sneechien , snede (gras). De naosnee is dit jaor aoreg goed; sneechien, sneetje. Twee sneechies roggebrood en ’n plâkkien stoete, meer kreegn wie niet.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
snee , sneej , plak, kerf, sneetje , Un sneej bróód of 'n sneej in'new hand is wél iet anders, mér't schriive is't zélfde. Een plak brood of een kerf in je hand is wel iets anders, maar het schrijven is hetzelfde.
Verkleinvorm sneejke. Dé's krék in't sneejke. Dat is net in het sneetje. Dat komt toch goed uit, en precies op tijd.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
snee , snee , zelfstandig naamwoord , de 1. insnijding, kerf door snijden ontstaan 2. snijkant (veelal: van een zeis) 3. scherpte (van iets waarmee men snijdt, met name van een zeis) 4. gras, hooi dat men verkrijgt door maaien, keer dat men het gras maait 5. snee brood 6. in goold op snee
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
snee , snee , zelfstandig naamwoord , sneeje , sneechie , boterham Hij haddin z’n stikkezak zes sneeje mè kaes Ook boo, stik; Hij hadden snee in z’n neus Hij was dronken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
snee , sneej , snee, insnijding
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
snee , sneej , snee , (zelfstandig naamwoord) , snede.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
snee , sneej , sneejke , snee , Sneej mik. Snee witbrood.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
snee , snee , sneej , snee; eenhands(e) snee, dikke snee brood; snee veur één hand, snee veur twee haande, dunne snee brood; een snee in ’t/z’n oore hebben, dronken zijn.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
snee , sneej , zelfstandig naamwoord , snede van een brood; snijkant van een mes; bilspleet; WBD III.1.1. lemma  vrouwelijk geslachtsdeel – snee, Tilburg; WBD III.1.1. lemma  aarsspleet – snee, alleen in Tilburg en Kobbegem; WBD III.1.1. lemma  vrouwelijk geslachtsdeel – sneetje, Tilburg; WBD III.2.3:42 'sneetje brood' = avondeten ook 'brood eten'; Dirk Boutkan (blz. 52) snee - sneeke
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut