elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smokkelaar 

smokkelaar  , smoekkelaer , smokkelaar.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
smokkelaar , smokkelder , [smokәldər] , mannelijk , smokkelaar
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
smokkelaar , smokkelder , smokkelaar, smokkelaor , de , smokkelders , (Zuidwest-Drents zandgebied, veroud.). Ook smokkelaar (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe), smokkelaor (Noord-Drenthe) = smokkelaar Die vent was in de oorlog een grote smokkelder (Sle), De smokkelaor gung de grens over (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smokkelaar , smokkeler , smokkelder , zelfstandig naamwoord , de; iemand die smokkelt, smokkelaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
smokkelaar , smókkelieër , (mannelijk) , smókkelieërs , smokkelaar
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
smokkelaar , smòkkelèèr , zelfstandig naamwoord , smokkelaar; Kees en Bart – Tilburgsche Post ca. 1935 – smokkelèèr; 'smokkelaer'; Antw. SMOKKELÈÈR - zelfstandig naamwoord m. - smokkelaar
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
smokkelaar , smoekelaer , smokkelaar
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut