elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smik

smik , smik , smiktje , smetje, vlekje, meestal met gijn voorop: is gijn smik op = geen de minste vuiligheid; ’n smik of wat = enkele regendroppels. Oostfriesch smikke, smik = vlek, klad, spat. Volgens ten Doornk.: smik, een stam aan den klank ontleend. Zie aldaar art. smikke, en: smak 2. ‒ Zou het niet uit: smet, ontstaan zijn, door wisseling der t in: k, en soms van e in i.? Zie: smelken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smik , smik , zweep. Mit de smik klatse, met de zweep knallen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
smik , smikje , vuiltje, druppeltje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
smik , smiksie , de , (Die) = zin Mor iedere veurbijganger har daor gien smiksie an
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smik , [zweep] , smik , (vrouwelijk) , smikke , smikske , zweep, karwats
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
smik , smik , smikke , smikske , zweep
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut