elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smijten 

smijten , smijten , slaan, slagen geven. , Hij smeet hem ter dege. Gij moest niet gesmeten hebben. Zij smeten met de vuist op tafel. Het is een middennederl. woord.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
smijten , smiiten , eigenlijk werpen, wordt in vreemde beteekenissen gebruikt, zie op hensmiiten, ummesmiiten en dale.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
smijten , smieten , in: zich nao ons smieten = zich naar ons voegen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
smijten , smieten , zie: warpen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
smijten , smîten , (sterk werkwoord) , werpen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
smijten , smieten , smijten, werpen, gooien; hij smit hōm d’r hen = hij werpt hem op den grond; mit stijnen smieten = met steentjes gooien. Zegswijs: doar hei ’t smieten in de gloazen! = daar hebben wij ’t al, de poppen zijn aan den dans, het lieve leventje is gaande, het ongeluk is daar, enz.; hij smit nijt woar hij wenkt = hij is niet goedrond, komt niet voor zijne meening uit en is dus niet te vertrouwen. Drentsch: daar hij wenkt, schiet hij niet; Oostfriesch hê smitt nêt hen, wâr hê winkt. Nedersaksisch: he smit nig, woor he hen wenket = hij is dubbelhartig, valsch, listig, spreekt anders dan hij denkt; Holsteinsch: de Fosz bitt nich, war he liggt. Spreekwoord: D’r is gijn smieten mit de muts noa = er is geen bijkomen aan, ik (of: wij) kan er niet naar talen, ’t is ver boven mijn (of: ons) bereik; Oostfriesch d’r is gên schmiten mit de mütse na = ’t is niet te bekomen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smijten , smîten , In hooger beroep komen. ʼt kantongerecht heffet verspö̀ld, maor h(i)ee smit ʼt vör Zwòlle – hij komt in hooger beroep bij de rechtbank te Zwolle.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
smijten , smietĕn , smijten.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
smijten , smîten , In hooger beroep komen. ʼt kantongerecht heffet verspöld, maor h(i)ee smît ʼt vö̂r Zutfen – hij komt in hooger beroep bij de rechtbank te Zutfen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
smijten  , smiete , smiet, smiets, smiet, smeet, gesmete , smijten. In hoeëger beroep smiete, in cassatie gaan. Dao is gein smiete mit de muts nao, daar is niet bij te komen (ook figuurlijk).
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
smijten , smieten , smièt, esmiètten; ik smiete, dů smitst, hei smit, wi, i, zei smietet; ik smièt, dů smiètst, hei smiè , smijten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
smijten , smietn , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: smit, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: smeet , smijten. Smiet oe daale, ga zitten!
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
smijten , smoite , werkwoord , 1. Smijten. 2. Dorsen (verouderd). | Wanneer moete we te haver smoiten?
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
smijten , smitje , gooien.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
smijten , smieten , smeet, esmetten , smijten; smiet [in:] smiet oe daele: ga zitten.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
smijten , smieten , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. smijten Hij greep een stien op en smeet hum deur de glazen (Zdw), Hij flapte de kraante dicht en smeet hum op de grond (Ruw), Hij wui bie kop en kont anpakt en der oetsmeten (Erf), Der was ruzie en zai smeten mit stoulen en taofels (Eco), Het regende zo gruwelijk hard, het was net of het met bakken oet de lucht smeten weur (Oos), De stucadoor zee: Geert, det smiet ik er in een dag tegen an dat stucadoor ik in één dag (Bro), Ik moe zo’n einde met die garms smieten, ik kan het haost niet meer begooien (Sti), (zelfst.) Bij het gaarven smieten kreeg hij de haanden vol angels opgooien of doorgeven van korenschoven (Dwi), Die vrouwe is gien smieten mit de musse naor, ze geet alles opmaeken is geen bijsturen aan (Uff), (fig.) Hij hef der veul geld tegenan smieten mus um zien bedrief van de grond te kriegen (Bco), Hij smet met geld (Nam), Hij smit er mit de pette naor gooit er met de pet naar (Pes) 2. (wederk.) zich voegen (Zuidwest-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Thuus mussen wij ons altied naor mekaar smieten (Coe), Ie mut oe wel ies naor ene smieten en kunt niet altied oen eigen zin doen (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smijten , smieten , smijten. D’r is gien smieten met de musse naor ‘er is geen sprake van’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
smijten , smietn , smijten. Ik smeete dât dink wied weg. Ik heb esmeetn. Hie smit met de deure.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
smijten , smieten , werkwoord , 1. ruw gooien, smijten, hard werpen 2. (van bep. dieren, met name varkens) ter wereld brengen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
smijten , smèìjte , keilen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
smijten , smieten , (werkwoord) , smit/smiet, smeet, esme , smijten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
smijten , smiete , smietj/smitj, smeet, gesmete , gooien, smijten, werpen , Mèt geldj smiete.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
smijten , smèète , sterk werkwoord , smijten; WBD III.1.2:84 'smijten' = gooien; Dirk Boutkan (blz. 67) imperatief 'smèt' - uit de reductievocaal blijkt dat we hier niet van doen hebben met een uitgangsloze vorm, maar met een vorm waar de uitgang -t is geassimileerd aan de slotmedeklinker; B smèète - smêet - gesmeete — in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij smèt; Antw. SMIJTEN - slaan, Fr. frapper, eng. to smite; werpen (zie wdbb.) AMIJT zelfstandig naamwoord m. - worp; harde slag of klets
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
smijten , smie~te , smaet – gesmaete , smijten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut