elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smiegelen 

smiegelen , schmiecheln , smaicheln , kruipend vleien, pluimstrijken. Vgl. ’t Hoogduitsche schmeicheln, en: schmiegen; schmeichelhaft = vleiend; Smeichelkatze = flikflooister, (Noordfriesch schmicheln); Smeichler = vleier; Westfaalsch smige, Hoogduitsch schmeichêlnd; Hoogduitsch schmiegen = (zich) buigen, krommen; sich smiegen und biegen = zich in allerlei bochten wringen, zich krommen en buigen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smiegelen  , smieggele , op geen fijne manier zaken doen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
smiegelen , smaigeln , vleien
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
smiegelen , smiechele , werkwoord , iets stiekem doen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut