elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smerig 

smerig , [vuil, vet, voordelig] , smerig , smeerig , wordt hier niet alleen, behalve in de eerste beteekenis van vettig, gebruikt in die van vuil, morsig, bijv. smerige wegen, een smerige mensch, maar oo , Een smeerige weg. Een smeerig mensch.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
smerig , smerîg , voor: vleiend, flikflooiend, om een doel te bereiken; smerîg proaten = vleien; smerig lachen = soort van valschen lach, niet gemeend doch zonder kwade bedoeling, meer overeenkomende met: in zijn vuistje lachen. Hooft: smeerigh = vleiend, lieflijk; smeerigh kallen, smeerigh lachen. ‒ Synoniem met laidîg, enz. ‒ Ook = morsig, in: ’t is smerig te loopen; smerêge boon stinkende boon, koffieboon die aan de koffie een leelijken smaak geeft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smerig , smérig , Vet, voordeelig. ʼn Smérig baantjen. Knòllen met érappels is ʼn gud èten, maor z(i)ee mot smérig wèzen. ʼn Smérige pot – vet eten.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
smerig , smerig , smierig , (bijvoeglijk naamwoord) , Daarnaast eertijds smierig (vgl. voorwerk). Zie de wdbb. – Bij de papiermakerij ook van de papierstof. Dik, pappig, lijmig. || Wat is die stof smerig; ze is te veul ’ewreven.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
smerig , smeerig , smieerig , Vet, voordeelig. ʼn Sm(i)eerig baantjen. Knòllen met (i)eerappels is ʼn gud èten, maor z(i)ee mot sm(i)eerig wèzen. ʼn Sm(i)eerige pot – vet eten.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
smerig  , smaerig , vuil.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
smerig , smiäärig , smerig
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
smerig , smérrig , smerig, vies, lelijk Trék ’s nie zò’n smérrig gezicht! Trek niet zo’n lelijk gezicht!; lelijk smérrig kiêke! lelijk kijken!; gemeen Dè ’s ’n smérrige streek! Dat is een gemene streek!; smérrigen bak vieze mop.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
smerig , smèrig , smerrig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Var. als bij smèren. Ook smerrig (Zuidwest-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. vuil, smerig, vies Ik heb mit dat smerige zaekie niks neudig (Die), Aj smèrige melk hadden, kreej een briefie an de pulle (Hol), Wij moet hen erpelkrabben, zie wordt wat smèrig er is teveel onkruid (Sle), Wat hef e het daor smerig um hoes toe (Oos), Het is smerig bie de weg mit dei sneiprut (Bov), Ik verlappe het um det smerige wark te doon (Rui) 2. schunnig Gebröks do ok al van die smerige oetdrukkings? (Pdh) 3. gemeen, vies Wat komp door ain smerige lucht an (Vtm), Die smerrige katten schieten ok overal die rotkatten (Row) 4. erg, behoorlijk De naolaotenschap is heur smerrig tegenvallen (Bor), Dat vul mij smerrig of (Zwin)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smerig , smèrrig , smerig, vies.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
smerig , smerig , vuil
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
smerig , smereg , smerig. ’t Is der ’n smerege rommel. Zo’n smerege vent, hie bedrög iederiene.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
smerig , smérrege , smerige , Ne smérrege waoge daor wulle de jóng nog wél'les wa goeje raod ópschriive. Een smerige auto daar willen de kinderen nog wel eens wat goede raad opschrijven.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
smerig , smerig , bijvoeglijk naamwoord , 1. smerig, vuil 2. wat smerig, vies maakt 3. wat gemakkelijk smerig, vuil wordt 4. niet hygiënisch in z’n doen en laten, z’n kleding enz. te weinig reinigend 5. schunnig, vies, onzedelijk 6. (van de gelaatsuitdrukking) boos, chagrijnig 7. erg gemeen, liederlijk 8. vervelend, hinderlijk 9. (van de lucht) niet helder
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
smerig , smerrig , vies, vuil
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
smerig , smerig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , smerig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
smerig , smirrig , vuil, smerig
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
smerig , smullig , smerig, vuil (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
smerig , smieërig , smieëriger, smieërigst , smerig
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
smerig , smèrreg , smèrrig , bijvoeglijk naamwoord , "smerig, smeerbaar; vies; zacht; Ons vrou zi ""ziedde naa, daor heddet al, ik vèn ut ok smèrrig"". (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Giestere nog zo blaank en rein, hoe kunde vandaog toch zo smerrig zijn!; (Piet Heerkens; ‘Dooi’, gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941); et Geld, dè zo fijn is, -; wè-d-enkel mar schijn is, -; maokt groot wie klein is; enen smerrig wie rein is. (Piet Heerkens; uit De knaorrie, ‘Geld’, 1949); Cees Robben – smerrige vingers op oe pet (19540703); Frans Verbunt – 'smèrrege praot' - vuilbekkerij; Piet van Beers – ‘Groeten uit Mallorca’: Manne spèùte de straot, haole vèùlbakke op,/ want dè gao meej die Zon smèrrig ruuke. (Spoeje doemmeniemer; 2009); WBD III.2.3:146 'smerig' = mals (boter); ook 'gemoeiig', 'smeuïg', 'zacht'; WBD III.4.4:236 'smerig' = troebel; 237 'smerig' = vuil, smerig WBD; WBD III.4.4:III.4.4:321 'smerig maken' = bevuilen; WBD III.4.4:103 'smerigheid' = natte sneeuw; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SMERIG wordt niet alleen, behalve in de eerste beteekenis van vettig, gebruikt in die van vuil, morsig (smerige straten), maar ook, in een figuurlijken zin, voor 'onkuisch' (obsceen, indecent. Ook bij verachting: een smerig heer; Z.a."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
smerig , smaerig , smerig
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut