elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smeken 

smeken , smeekelen , (zwak werkwoord) , smeeken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
smeken  , smaeke , smeken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
smeken , smeken , zwak werkwoord, onovergankelijk , nederig verzoeken Toe, ik smeek je... (N)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smeken , smeken , smeken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
smeken , smeeke , smikt, smikte, gesmikt , smeken
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
smeken , smêeke , zwak werkwoord , smeken; Cees Robben - Ik hèb em gebid èn gesmikt; Henk van Rijen –  'smêeke'; B smeeke - smikte - gesmikt - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping!; gij/hij smikt; smikt(e) - smeekt(e); tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'smeeke', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut