elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smeerlap 

smeerlap  , smaerlap , smeerlap, vuile kerel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
smeerlap , smérlap , m , smeerlap, viespeuk.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
smeerlap , smerlap , enne fiêze; enne rotzak; en sort snuupke.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
smeerlap , smèrlappe , zelfstandig naamwoord , smeerlappen, dadels. Worden zo genoemd vanwege de kleverigheid van deze versuikerde zuidvrucht.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
smeerlap , smèerlap , de , gemeen persoon Dat ij zo’n smeerlap wadden, har ik niet daacht; dat vaalt mij smerig of (Eex), Die smeerlap hef heur dat ofpangeld (Ass)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smeerlap , smèrlap , smeerlap. ook smirlap.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
smeerlap , smeerlappe , 1. smeerlap; 2. niet te vertrouwen persoon of dier
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
smeerlap , smérlap , viezerik , Ne smérlap kan z'n hand nie thûishaauwe èn dé zulle ze'm nouw wél'les afliire. Een viezerik kan zijn handen niet thuishouden en dat zullen ze hem nu wel 'ns afleren.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
smeerlap , smeerlap , smeerlappe , zelfstandig naamwoord , de 1. gemeen, onbetrouwbaar iemand, loeder 2. man of vrouw die een smeerpoets is
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
smeerlap , smerlap , smeerlap
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
smeerlap , smeerlappe , (zelfstandig naamwoord) , smeerlap, gemeen persoon.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
smeerlap , smirlap , vijg, smeerlap
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
smeerlap , smerlap , zelfstandig naamwoord , gekonfijte dadel (Helmond en Peelland; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
smeerlap , smèrlap , zelfstandig naamwoord , "smeerlap; vijg (vrucht v. d. vijgeboom), dadel (vrucht v. d. dadelpalm), N. Daamen - Handschrift 1916 – ""smerlappen (dadels, vijgedalen)""; Dirk Boutkan 'smirlap', smèrlap (blz. 34) met vocaalreductie, ook 'smirlap'; Cees Robben – smerlappe (19630628); WBD III.1.4:105 'smeerlap' = schavuit; WBD III.1.4:113 'smeerlap' = smeerpoes; WBD III.2.3:173 'smeerlap' = vijg; Antw. SMÈÈRLAPPEN zelfstandig naamwoord m., mv. - dadels, de vrucht v. d. Phoenix dactylifera; Jan Naaijkens - Dè's Biks – smèrlappe zelfstandig naamwoord  - smeerlappen, dadels; Hees smèrlap (I:21) Str. smerlap (l:77)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
smeerlap , smerlap , viespeuk
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut