elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smeerkanis 

smeerkanis , smeerkanis , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Smeerlap, oneerlijke vent (scheldwoord). || Zo’n smeerkanis!
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
smeerkanis  , smaerkanes , vuilik.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
smeerkanis , smeerkanis , zelfstandig naamwoord de , Smeerpoets.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
smeerkanis , smaerkanis , smerlap.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
smeerkanis , smeerkanis , 1. gemeen persoon; 2. zie smeerpoetse
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
smeerkanis , smeerkanes , zelfstandig naamwoord , de; smerige, vieze man
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut