elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smal 

smal , smal , gering; onbeduidend; smale proties = onbeduidende praatjes. Gron. smal, in de beteek. van: klein, gering: smalle broodjes bakken (fig.); ’n smal klōkje = een kleine teug drank. NBrab. smal = klein. Hooft smal = weinig beteekenend. MNederl. smal, smale = klein, gering. Nederl. smal ook = gering, armoedig, in: de smalle gemeente. Eng. small = klein, gering, te klein bv. voor het doel, enz.; ONoorsch smal, Noorw. Zw. Deensch smal, Goth. smals = klein, gering, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
smal , smaols , gedurig, dikwijls. Oostfr. smâls = in den regel, gewoonlijk. Samengetr. uit den genit.: des males.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
smal , smal , (bijvoeglijk naamwoord) , smale, smalle , smal, dun.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
smal , smal , klein, gering, onbeduidend, in: smalle (ook: klaine) broodjes bakken = zich bij een’ twist geheel aan de sterkere, de overwinnende partij onderwerpen, zijn ongelijk erkennen, bij v. Dale: zoete broodjes bakken = toegeven, den toon minder hoog aanslaan; ’n smal klōktje = eene kleine teug drank, bv. een glas dat half vol geschonken is. Drentsch smale proties = onbeduidende praatjes; Noord-Brabantsch smal = klein; Hooft: smal = weinig beteekenend; Kil. smal = weinig, gering, armelijk; Nederlandsch smal = gering, armoedig, in: de smalle gemeente. Engelsch small = klein, gering, te klein voor het doel, enz.; Oud-Noorsch smal, Noorweegsch, Zweedsch, Deensch smal, Gothisch smals = klein, gering, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smal , smal , smaal , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. en vgl. de uitdr. smalle Gerrit op Gerrit. – Ook in de naam van vele smalle stukken land; in enige daarvan is nog de oude verbogen vorm smaal bewaard gebleven. || Het Smal (stuk weiland op de Koog); in Custb. (a° 1741) “het Smaal” genoemd. ’t Smael int Galcamp-weir 400 (roeden) (onder Oostzaanden), Polderl. Oostz. (midden 17de e.). Tammes-ven; tsmal van Tammsven (onder Assendelft), Polderl. Assend. I f° 28 r° (a° 1599). – Piet Joosten smalacker (in Neel Baerts-weer); Floris Pietersz. smalacker, Dirck Tamisz. smalacker (in Flooren-weer), Maatb. Assend. (a° 1634). – ’t Smal weer (te Krommenie, in de Kerkebuurt), Polderl. Kromm. (a° 1680), f° 37. ’t Smalle weer (te Assendelft), Maatb. Assend. (a° 1634); reeds in de Middeleeuwen: In Smalewere quatuor falcationes, Oorkb. I, no. 204 (a° 1182-1206). Vgl. verder “Smalle meet” op maad, “Smal tich” op tich, “Smal timp” op timp, enz., en zie smaalsloot en Smaling.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
smal , smal* , Engelsch small = klein; bij v. Dale: zoete broodjes.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
smal  , smaal , smal.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
smal , smaôl , v , ’n smaôl smalle, dunne vrouw.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
smal , smaole , m , ’ne smaole smalle, magere man.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
smal , smal , smaal , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook smaal (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. smal Er lig maor een smaal plaankie over de sloot (Row), Is dat kiend wel goed? Het hef zo’n smal bekkie (Dwi), Dai kou is te smal in het kruus (Eev), Wagens met smalle velgen waren smalle wagens (Oos), Ie kiekt aordig smal toe met een ingevallen gezicht (Rui) 2. gering, onbeduidend Hij hef een smalle beurs (Nor), Dei het mor een smal bestaon (Eco), Beter smal der deur zunder zörgen as riekelijk in de schulden, zeg ik aaid (ov:sm), Smalle prooties onbeduidend (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smal , smaol , smal. dè’s ’n smaol pèdje, dat is een smal paadje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
smal , smal , smal. Gunninks woordenlijst van 1908: Smalle middag (schertsend voor een lang mens)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
smal , smal , bijvoeglijk naamwoord , 1. smal, weinig breed 2. mager, schraal 3. gering, armoedig, karig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
smal , smoal , 1. mager; 2. smal
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
smal , smaal , smaler/smaalder, smaalst , 1. smal 2. armoedig , Det is eine smalen derm!: die is mager.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
smal , smal , bijvoeglijk naamwoord , smal; Henk van Rijen - meej ne smalle ring getrouwd - het huwelijk niet te serieus opvattend; WBD III.1.1:20 'smal' = slank, tenger; ook 'smallekes'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
smal , smaa~l , smaler – smaals , smal; mager
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut