elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smakken 

smakken , smakken , In den zin van gooijen, werpen was dit verbum vroeger in algemeen gebruik. Een paar voorbeelden uit Huygens mogen voldoende zijn om dit te bewijzen. Hij zegt in zijn Voorhout: ‘Dirckgien (hoord’ ick strack een’ ander) / Sel ’t dan nummer wese, kind? / Smackje staegh een oogh op Sander, / En mijn’ woordgies in de wind? / En een weinig vroeger / Sal ick daer, als op-getogen, / Staen aenschouwen ’t lange rack / Van de vier en veertien bogen / Met haer’ fellen water-smack?’ Tegenwoordig echter is het in die beteekenis door het meer deftige taalgebruik veroordeeld. In Dord evenwel bestaat het subst. smak nog. Meer dan eens heb ik aan de veren de schuitenvoerders, wanneer er moest gedobbeld worden wiens beurt het zou zijn om over te varen, hooren zeggen wie heeft de smak d.i. den gooi. Zoo noemt men smaktol wat op andere plaatsen priktol heet. - Ook op Zuid-Beveland bestaat dat woord nog. Zie Nieuw Mag. van N. T. II, bl. 233. Smakken: Met teerlingen ergens om opgooijen.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
smakken , smakken , (zwak werkwoord) , werpen, slaan.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
smakken , smekken , (zwak werkwoord) , smakken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
smakken , smakken , (zwak werkwoord, transitief) , Zie de wdbb. – a) Dobbelen om koek of ander gebak, om drank, enz. Daarbij smakt (gooit) men drie dobbelstenen in een houten bak (het smakbord) en raadt of men onder de 6 (ook wel: 9) of boven de 12 zal werpen. Is het aantal ogen werkelijk daarmee in overeenstemming, dan wint men. Dit dobbelspel is ook elders bekend (zie Ned. Wdb. III, 820), maar wordt alleen in N.-Holl. smakken genoemd. Gelegenheid tot smakken heeft men in de stalletjes op de kermis en het ijs, en ’s zondags op bepaalde punten van het dorp. || Moet je niet ers smakken? – Kleine jongens … met wit haar en witte tanden, bezig met “koek te smakken”, en hun winst in de broekzak, buiszak, en tot in de pet wegstoppende, BEETS, Cam. Obscura13, 100. – b) Het binnengooien der Sinterklaasgeschenken. || ’t Zel me benuwen wat de Sunt voor me smakken zel. “Maandag bakken, Dinsdag smakken. Woensdag eten, Donderdag is Sinterklaas vergeten” (rijmpje). – Zie smakavend, smakbord en vgl. smakker, smakkerd, versmakken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
smakken , smaksen , Smakken. Zoowel in de bet. van: smijten, als in die van: hoorbaar eten.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
smakken  , smekke , smakken met de tong.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
smakken , smekke , smakken, (hoorbaar eten.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
smakken , smakn , TL 920. De derde betekenis dient hier te worden geregistreerd: smakken met de tong en (of) lippen. Most nait smakn bie ’t eetn, bist toch gain jeude?
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede
smakken , smakke , werkwoord , Ook: 1. Naar binnen gooien, met name pepernoten of surprises op sinterklaasavond of op een andere avond in de sinterklaastijd. | Pieterman komt veneivend te smakken. 2. Zie koeksmakke.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
smakken , smekke , werkwoord , Variant van smakken, hoorbaar of smakkend eten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
smakken , smekke , huurbaar aete.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
smakken , smèkke , smakkend geluid maken.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
smakken , smakken , Het gooien met de dobbelstenen door de zakkendragers. Dit werd smakken genoemd vanwege het lawaai dat het gooien veroorzaakte. De stenen werden in een koperen trechter gegooid. Zij kwamen zo terecht in de smakbak, waar een smakblok lag dat het geluid waarmee de stenen vielen verzachtte en de stenen beter verspreidde.
Bron: Feelders, Paul (1991), ‘Van gistkladder en ouwetijer. Iets over het Schiedamse dialect’, in: Scyedam, het blad van de historische vereniging 17, 4-12
smakken , smakken , smakken, esmakt , 1. onbehouwen lopen; 2. smakken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
smakken , smakken , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. vallen Hij kwam op het ies te smakken (Zey), Deur het gewicht kunden ie het ding op ofstand op de grond heuren smakken (Hoh), Hij kwam van de zolder ofsmakken (Wes), Hij smakt over zien eigen poten (Noo) 2. gooien Je moet je kleren niet aaid zo in de hoek smakken (Eke), Smak het daor maor deel (Wed) 3. met de mond een smakkend geluid maken Lig niet zo te smakken. Eet ies fetsoenlijk (Ndo), De olde boer smakte bie het eten as een zwien in ekkels (Zui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smakken , smekken , smakken. zitter ’s nie zò te smekken, zit er eens niet zo te smakken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
smakken , smakken , smakken (met de mond)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
smakken , smaksen , 1. neersmijten; 2. neervallen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
smakken , smakkn , smakken.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
smakken , smakken , werkwoord , 1. smakken: ruw gooien of vallen 2. een smakkend geluid maken 3. zoenen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
smakken , smekke , werkwoord , smek, smekte, gesmekt , smakken Hij zit redduur te smekke, ’t is net een verreke Hij zit steeds te smakken, hij is net een varken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
smakken , smèkke , smakken
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
smakken , smaksen , (werkwoord) , smaksen, esmakst , 1. smakken, luidruchtig eten; 2. vallen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
smakken , smèkke , smakken
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
smakken , smaksen , smekken, snakken , smakken; smakser, mond (misprijzend bedoeld).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
smakken , smekke , smektj, smekdje, gesmektj , smakken , Lik neet zoea te smekke, de zin vergeit mich.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
smakken , smekke , smekde – gesmek , smakken
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut