elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slurpen 

slurpen  , slörpe , slurpen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
slurpen , slùrrepe , slurpen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
slurpen , slierpe , werkwoord , slurpen.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
slurpen , slörpen , slurpen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuidwest-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe). Ook slurpen (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = slurpen IJ moet niet zo slurpen met koffie drinken, dat heurt zo mal (Bor), Hie slurpt de koffie oet het schöttelie (Gro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slurpen , lurpen , zwak werkwoord, onovergankelijk , langzaam, genietend of slurpend drinken Over de hele dag rekend lurpen ze der heel wat koffie deur (Ass), Hie döt de hiele dag niet aans as koffie lurpen (Sle), zie ook lurken
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slurpen , sloerpen , slörpen , slurpen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
slurpen , slörpen , slurpen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slurpen , slörpm , slurpen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
slurpen , slierepe , slurpen , Wa zéd'de toch ôn't slierepe, duu 's gewóón èn drinkt dur of ge haauwt mér óp. Wat ben je toch aan het slurpen, doe eens normaal en drink door of je houdt maar op. Héij slörpt mér wa ôn, dé hébbe ze hum thûis nójt af kunne liire dènk ik. Hij slurpt maar wat aan, dat hebben ze hem thuis nooit af kunnen leren denk ik.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
slurpen , slorpen , slurpen , werkwoord , slurpen, slurpend eten, drinken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slurpen , slurrepe , werkwoord , slurrep, slurrepte, geslurrept , slorpen, opslorpen ’t Is een ouwe viezek; hij zit altijd mar te slurrepe en te smekke Hij is een oude viezerik: hij zit steeds te slurpen en te smakken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
slurpen , slörrepe , 1. slurpen; 2. luidruchtig eten
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
slurpen , slörpen , (werkwoord) , slörpen, eslörpt , slurpen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
slurpen , slùrpe , slurpen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
slurpen , slierpe , werkwoord , slurpen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
slurpen , slörpe , zwak werkwoord , slörpe - slorpte - geslorpt , slorpen, slurpen; WBD III.2.3:282 'slurpen' = paffen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
slurpen , slörpe , slörpde – geslörp , slurpen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut