elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slot 

slot , sloot , slot, kasteel, sterkte.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
slot , slòt , slö̀t , (onzijdig) , slö̀tte , slot; zie beslö̀t.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
slot , slöt , zie: krallen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
slot , slot , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – Op slot en end, ten slotte, per slot van rekening. || Ik docht dat de zaak in orde was, maar op slot en end pakt ’et nag heel aârs uit.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
slot , slötten , sloten, vgl. ratten *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
slot  , slaot , slot.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
Slot , Slot , ’t Slot , naam van een buurt, oostelijk van de Schipsloot, na 1828 ontstaan aan de toen aangelegde nieuwe weg naar Geesteren.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
slot , slot , o , slèûj , slötje , slot, sloten , slotje (slootje).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
slot , sloje , voor sloten. De sloje motte nodig gesmeerd worde.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
slot , slot , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze op slot, tot slot, tenslotte. | Ik was er op slot dik mee an. Ik ben op slot maar allien te kermis gaan. – Per slot (van zake), per slot van rekening. | Per slot is hai de baas.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
slot , sloot , slot, bijv. van een deur.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
slot , slot , zelfstandig naamwoord , in de uitdrukking slot noch val hebbe : er is geen touw aan vast te knopen (KRS: Hout; LPW: Lop, Cab) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 118). Slot betekende vroeger: ‘aaneensluiting, hechte samenhang’. Van Dale (1992, p. 2778) geeft als voorbeeldzin: een klein kind moet slot aan het lijf hebben ‘stevig gekleed zijn’ en verder de uitdrukking slot noch val zit er in die jurk ‘die jurk past niet en zit heel lelijk’. Daarnaast is er een uitdrukking het heeft slot noch zin ‘er is niet uit wijs te worden, geen touw aan vast te knopen’, waarin slot betekent: ‘samenhang van een redenering’. Het is duidelijk dat in de Zuidutrechtse dialecten de ene uitdrukking met slot (slot noch val ) de betekenis van de andere (slot noch zin ) heeft gekregen.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
slot , slöttie , slotje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
slot , slot , slöt , het , sloten , Ook slöt (Noord-Drenthe) = 1. slot, einde Het leek eerst niks mit die veurstelling, maor der zat een mooi slot an (Dwi), Ik vun het een mooi boek en an het slot komp alles nog weer goed terechte (Ruw), Aan het slot van de vergaodering was der een verlötting (Zui) 2. sluiting Het slöt van de zieddeur is kepot (Eex), Hij haar de deur op slöt (Row), Doe de deuren mor op slot, dan gaow hen bedde (Sti), Doe het slot is van de deur of (Val), Die vrouw haar een golden slottien an het kaarkbookien (Wap), Vrouger haren de vrouwlu vaok een slöttie om de haals kralenketting met slot (Wtv), An een krallensnoer zat een golden of zulvern slot; een zulvern slot was kleiner (Sle), Mien moe har vroeger krallen met een slöt(tie) um de hals (Hoh) 3. in per/op slot (van reken) uiteindelijk, tenslotte Per slot heb ik daor niks met te maken als het er op aankomt (Klv), Op slot mus hie met het water veur de dokter (Bor), Per slot van reken kun hij het niet helpen uiteindelijk (Gie), Op slot van reken kwamen ze der toch nog an (Bui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slot , slot , slot. verkl. slötje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
slot , slòt , sloten , slöttien , slot
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slot , slöttien , klein slot.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
slot , slot , zelfstandig naamwoord , et 1. slot: in een deur, aan een fiets enz. 2. knip: op een tas, boek enz. 3. hetz. als halsslot 4. versterkt kasteel 5. laatste deel, einde 6. in verb. als bi’j slot van zaeke per slot van rekening, uiteindelijk, eigenlijk, per slot uiteindelijk, als puntje bij paaltje komt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slot , slootjie , zelfstandig naamwoord , slootjies , slotje, klein slot (bijv. van een ketting)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
slot , sléúj , sloten (op deur)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
slot , slot , (zelfstandig naamwoord) , slöttien , slot.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
slot , slot , sleuj , slùtje , slot , Alle sleuj zitte óp slot. Alle sloten zitten op slot.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
slot , sloeat , (onzijdig) , släöj , sluuetje , slot
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
slot , slooj , slot; sloje, sloten
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
slot , slòt , zelfstandig naamwoord , 1. slot, afsluiting, einde; - Op slot wik oe dan nog raoien,/ Verbaastert noot oe moeders Taol,/ Blèft ze spreke, leze, schrève,/ Dès in heilig Ideaol. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); ...en op slot hèk naa zon fèn fietske gekrege dèk er nie mir op durf te gaon zitte. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); 2. halssnoer; Het slot was een halssnoer, bestaande uit drie of vier snoeren bloedkoralen, die aan de beide uiteinden samenkwamen in een gouden versiering welke om de hals ineen gehaakt werd. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 1 ‘Wijkbuurten in vroeger dagen; NTC – 8-11-1950); slötje - verkleinwoord; slotje; verkleinwoord van 'slòt', met umlaut
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
slot , slaot , släöj , släötje , slot
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut