elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sloerie 

sloerie , sloerie , (vrouwelijk) , sloeries , slordebel, een slordig wijf, eene havelooze vrouw. Zij versloert alles, het is eene regte sloerie. Wat helpt den man zijn ijver en vlijt als de vrouw een sloerie is.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
sloerie , sloerie , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Slordig, haveloos wijf, slons, slet. || ’t Is ’en oppassend man; maar zen wijf is ’en sloerie, die alles verslonst. Deer gaat die sloerie ook weer. – Ook elders bekend (vgl. BOUMAN 97; DE JAGER, Freq. 2, 564).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sloerie  , sloerie , vies wijf.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
sloerie , slůůrie , vrouwelijk , slome, slordige vrouw
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
sloerie , sloerie , v , slordige vrouw.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
sloerie , sloerie , zelfstandig naamwoord de , 1. Slordig persoon, iemand die veel kleren of andere spullen verslijt. 2. Slet, smerig of ontuchtig wijf. Vgl. het N.E.W. onder sloerie.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sloerie , sloeries , de , sloerieën , (Zuidwest-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord). Ook sloerie (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = onbetrouwbaar, slonzig of zedeloos persoon, meestal een vrouw Een sloerie is een traag, slordig vrouwspersoon (Bco), Der zat ok nog zo’n sloeries van een wief in de auto (Sle), Die sloeries hef mij toen bedreugen was onbetrouwbaar (Pdh), Een sloerie(s) van een vent, die kek wat smoesterig toe en is niet gezien; een sloerie van een wief is slonzig (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sloerie , sloerie , zelfstandig naamwoord , de 1. slet 2. slordige, smerige vrouw, asociale vrouw 3. nietsnut (ook van een man gezegd) 4. slordige, ruig bebaarde man
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sloerie , sloerie , zelfstandig naamwoord , WBD III.2.3:2 'slappe sloerie' = waterachtig voedsel; WBD III.2.2:113 'sloerie' = zedelijk slecht meisje; ook 'slet', 'del'; WBD III.1.4:112 'sloerie' = slodder
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut