elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slinger 

slinger , slinger , zwengel van de kroanen; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
slinger , [wat heen en weer gaat] , slèger , (mannelijk) , Hefboom van de pomp.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
slinger , slèger , (mannelijk) , Hefboom van de pomp.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
slinger , slinger , H(i)ee hef daor zîn slinger. Hij heeft daar zijn draai.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
slinger  , slinger , slinger. Hae haet zienne slinger, hij is in zijn nopjes.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
slinger , slinger , 1. slinger. 2. ergens zijn slinger aan hebben = lol
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
slinger , slinger , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze z’n slinger hewwe, zijn draai hebben. – An de slinger weze, aan de zwier zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
slinger , slinger , slenger , de , slingers , Ook slenger (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. slinger Der was feest, de hiele kamer hung vol slingers (Sle) 2. slinger van de klok Het blad van de slinger zit schieve en schoert zowat tegen de achterkaante van de klokke (Ruw) 3. zwengel De slinger van de pomp (Rod), Een slenger, waor aj mit op en neer slengern (Nijs) 4. plezier, genoegen Hij hef zien slinger het gaat hem naar de zin (Dwi), Peerden, daor heb ik mien slinger an (Klv), Ze hebben het wel naor heur zin had, ze hadden de grootste slinger (Eri), Umdat de iene nou wat tegenslagen hef, hef de aander zien slinger (Hoh) 5. zwaai Hij slag de puut met een slinger op de nak (Eel), Hij kreeg een slinger um de oren klap (Wei) 6. vaardigheid (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij hef der wel de slinger van kan het goed (Pes) 7. (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), in slinger um de bek etc. pap Slinger om de bek was een soort saus over de (slao)bonen. Het wör maokt van meel, stroup, spekvet en wat edik (Row), Singer um de snoete havermoutse pap (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slinger , [peperkoek] , slinger , bekende Ujese pipperkoek.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
slinger , slunger , slinger. de slunger van de klok is d’r afgevallen, de slinger van de klok is eraf gevallen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
slinger , slinger , slinger. IJ ef zien slinger ‘hij heeft het goed naar de zin’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slinger , slinger , zelfstandig naamwoord , de 1. zwaai, zwaaiende, slingerende beweging 2. uithalende, slaande beweging: tegen, voor iemands hoofd 3. flinke bocht: in een weg, vaarwater e.d. 4. kleine bui, rand of staart van een bui die valt 5. klodder, sliert (die men morst, die rondvliegt enz.) 6. guirlande of slingerende versiering anderszins 7. pompzwengel 8. honingslinger 9. slinger van een uurwerk 10. touwtje boven een zere plek gehouden om de ernst te bepalen aan de hand van de slingerbeweging; zo ook boven bep. jonge vogels ter vaststelling van het geslacht 11. sluitboom van een deur 12. bekend gereedschap waarmee men de motor van een auto, tractor e.d. aanslingert 13. wiel of handvat waarmee men ronddraaiende bewegingen maakt om bep. installaties, instrumenten aan te drijven
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slinger , slinger , zelfstandig naamwoord , slingers , slingertie , 1. grote platte oorbel 2. afstand, omweg ’t Is nog een hêêle slinger, hiervandaen naer durp Het is nog een grote afstand naar het dorp; Z’n slinger hebbe [O] zijn draai hebben, veel plezier hebben
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
slinger , slinger , zelfstandig naamwoord , diarree; onderdeel van een waterpomp; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zèède on de slinger? (D'16) - heb je last van diarree? (naar het Roosendaalse merk 'Slingerkoek', een peperkoek); WW ôn de slingerschèèt; Dirk Boutkan (blz. 51) verkleinwoord slingertje, ook slingerke; De Wijs – Hij mot nog aaltij slinger zeggen tegen dè ding wè aon de pomp hangt (23-02-1972)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut