elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slijm 

slijm , slîm , (mannelijk) , slijm.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
slijm , slîm , (onzijdig) , slijm.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
slijm  , sliem , slijm.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
slijm , sliem , zelfstandig naamwoord, onzijdig , slijm
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
slijm , sliem , m , slijm.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
slijm , sliem , uitscheiding die enkele dagen na de tochtigheid plaatsvindt bij een niet gestierde of niet bevruchte koe.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
slijm , sliem , de, het , 1. slijm Hij mus hoesten en toen kwaamp er allemaole sliem lös (Hgv), Het haile straotje was mit sliem beklaid van slakken (Vtm), Sukerwater mak het sliem lös (Bro), Ik bin zo verkolden, ik zit vol sliem (Coe) 2. afscheiding Der is al dikke sliem ofkommen, het komp wal naoder gezegd bij het kalven (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slijm , sliem , slijm
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slijm , sliem , slijm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
slijm , slieme , zelfstandig naamwoord , de 1. stuk slijm (dat men opgeeft) 2. (mv.) moederkoek op de tong van het kalf
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slijm , sliem , zelfstandig naamwoord , et 1. slijmachtig vocht, slijmachtige substantie 2. (in het bijzonder) vocht dat men in z’n mond heeft, slijm in neus en keel bijv. als gevolg van verkoudheid, ook: slijm dat men opgeeft
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slijm , sliem , (zelfstandig naamwoord) , slijm.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
slijm , slèm , zelfstandig naamwoord , geklonterd kolengruis (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
slijm , sliem , (mannelijk) , slijm
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
slijm , slèèm , zelfstandig naamwoord , slijm; stijfgeworden sap uit steenvruchten, gom, snòt; Antw. SLIJM zelfstandig naamwoord m. en niet o.: Bij brouwers: het eerste afkooksel dat uit het mout vloeit, als men brouwt.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
slijm , slie~m , slijm
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut