elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slidderen

slidderen , slistêrn , sliestêrn , slistêrn (Oldampt) = sliestêrn (Ommelanden) = glijden, met de voeten, op de sullebaan of op het ijs: slisterboane = sliesterboan = glijbaan, sullebaan. – In de Ommelanden beteekent sliestêrn, ook: botter-en-brood schijten (zie aldaar) = keilen. Beide woorden staan voor: slitteren, frequentatief van: slidden, Engelsch to slide, Angel-Saksisch slidan = glijden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
slidderen , slittêrn , zie: botter-en-brood gooien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
slidderen , sliddere , glijden op het ijs.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
slidderen , sliestern , slistern , glijden (bv. over het ijs)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
slidderen , sliestern , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = glijden Sliestern is glieden op een bepaolde meneer; niet over een gliebaon in elk geval (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slidderen , slistern , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuidwest-Drents veengebied, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. glijden Bie school hadden wie aaltied een gliebaone en door konden wie mooi op slistern (Vtm), Baontie slistern (Git), Die stien die slisterde zo mooi over het ies hen (Klv) 2. steentje scheren (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) Mit een stuk laai van de olde karke slisterden wie altied over het water van de wieke (Bco), z. ook siezeln, slintern 3. lispelend praten, slissen (Zuidwest-Drents veengebied)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slidderen , slintern , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, Zuidwest-Drents veengebied) = 1. glijden Gaoj mit slintern op het ies? (Hol), Baantienglieden of slintern (Mep) 2. steentje scheren (Zuidwest-Drenthe, zuid) Wij deuden altied wie het beste kun slintern (Noo), z. ook siezeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slidderen , sliddere , werkwoord , baantje glijden over het ijs (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
slidderen , sliddere , ijsglijden
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut