elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sleeën 

sleeën , slezen , (zwak werkwoord, transitief en intransitief) , Voor sleedzen, van sleeds; zie aldaar. In (of met) de slede rijden, sleden. || Gaan der maar op zitten, dan zel ik je wel slezen. De kinderen benne an ’t slezen. Vooral in de zin van: goederen over het ijs vervoeren. Synon. vletten 2. – Zo ook elders in N.-Holl. (DE JAGER, Taalk. Magaz. 3, 514).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sleeën  , sleie , sledevaren.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
sleeën , slöjje , Ned. glijden.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
sleeën , sleie , sleitj, sleidje, gesleidj , sleeën
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
sleeën , sleeje , zwak werkwoord , sleden; B sleeje - sleedde - gesleed; ik sleej, gij/hij sleedt
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
sleeën , sleie , sleide – gesleid , sleeën
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut