elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slee 

slee , sliere , [slidere] schuifslede op ijs en sneeuw. Teutonista 1477. lubricare, slijden.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
slee , slees , (vrouwelijk) , slezen , slede, sleep. Hij had twee paarden voor de slees, ze hebben haar met de slees thuis gebragt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
slee , sleenen , slensen , wilde pruimen, sleeën, de vrucht van de zwarte hagedoorn. Gron. sleien = de sleedoorn, Prunus spinosa. Vergel. het Gron. wenen, Dr. weeën, Kil. wede, enz. door invoeging der n.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
slee , sliere , (vrouwelijk) , sleën , slede.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
slee , slee , (vrouwelijk) , sleën , slede.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
slee , sleien , De sleedoorn, Prunus spinosa; v. Hall Neerl. Plantensch. bl. 66.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
slee , slé , (mannelijk) , Sluipertje. ʼn Slé maken. Ook: slîpeken.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
slee , slé , (mannelijk) , Wilde pruim, sleebes.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
slee , sleeds , slede, slee , (slees) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Verkl. slesie. Slede. – 1) Voertuig op lopers, inzonderheid om over ijs en sneeuw te worden voortgeschoven of getrokken. – a) Handslede. || Kisten en balen mit slezen nê ’et spoor brengen. ’En slees mit lijnkoeken. Schaatsen leren rijje achter ’en slesie. – b) Paardeslede. || Men liep al met paa(r)t en sleeds al wederom op de Saan, Journ. Caeskoper, 8 Febr. 1677. (Ik) hadde moeder en peet Neeltie … mede nogh op de sleeds, ald., 28 Febr. 1681. Doe reede de sleesen met vragt (over het ijs), Hs. (6 Jan. 1729). – Evenzo elders in N.-Holl. || Gheen waghenen noch sleedssen sullen moeten staen opter stedeplaetse in hoir omganck, dan om te lossen of te laden (keur v. Hoorn, a° 1528), Wfri. Stadr. 2, 113. Gheen waghenaers noch slepers sullen mit waghenen noch sleedssen mit twie paerden moeten gaen of ryden enz., ald. 114. Wyl Pietje met zyn sleesje rydt, of op den trommel slaat, ben ik met myne Pop verblyd, WOLFF en DEKEN, Econ. Liedjes (ed. 1781), 1, 8. Zie ook OUDEMANS 6, 30. – Vgl. drokslees, handsleeds, paardesleeds, vrachtsleeds, alsook slezen. 2) De slee in een houtzaagmolen, waarop de balken die gezaagd worden liggen en die door het krabbelrad wordt voortgewonden. Deze slees is een soort van houten raam, bestaande uit 2 of 4 evenwijdige balken (de sleesstukken), die aan weerszijden door een dwarsbalk (de hoofden van de slees) verbonden zijn. Dit raam ligt op een vaste sleesstelling, gevormd door twee aan de sleesstukken evenwijdige balken (de sleesstellingstukken), die door een aantal triemen worden verbonden; evenwijdig aan de triemen zijn hiertussen rollen aangebracht. De slees wordt door middel van krabbelrad en heugel voortgewonden over de rollen van de sleesstelling, waardoor het zaaghout voor de zagen wordt gebracht. Zie Groot Alg. Moolenb. I, pl. 32, 36, 51-53; Groot Volk. Moolenb. I, pl. 4 en 5. – Ook de vorm slee is aan de Zaan zeer gebruikelijk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
slee , slees , (zelfstandig naamwoord) , enz. zie sleeds, enz.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
slee , [uitdrukking, zich verwijderen] , slé , (mannelijk) , Sluipertje. ʼn Slé maken. Ook: slîpeken.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
slee , slé , (mannelijk) , Wilde pruim, sleebes.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
slee  , slei , slede.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
slee , slie-e , vrouwelijk , slede
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
slee , slee , zelfstandig naamwoord, mannelijk , sleen , sleekn , vrucht van sleedoorn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
slee , sleën , v , sleëne , vrucht(en) van de sleedoornstruik. sleën(e) zien pas lekker nao ’ne nâcht flinke vorst. Die zijn eerst lekker na een nacht stevige vorst.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
slee , slees , zelfstandig naamwoord de , Variant van slede.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
slee , slee , slee.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
slee , slee , de , sleeën , 1. slee Het is hier labandig glad; kiender mit sleegies kunt hier terechte (Ker) 2. glijdend onderstel Een rief har wal een slee in plaots van een korrel (Sle) 3. plank om molshopen te slechten (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) Hie is met de slee an het vruutbulten vlak maken (Sle), z. ook sleep, slechtplank 4. grote auto Wat een slee van een auto (Hgv) 5. dresseerkar Een slee har twei opstaonde posten mit iezern lopers, en doorover dwarsplanken (Ros) 6. achterstel van een ouderwetse ploeg (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord), z. ook sleep
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slee , slee , slei , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidwest-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook slei (Zuidwest-Drents veengebied) = 1. ruw, stroef Ik heb de mond zo slee, het zal wal van de bezen kommen (Oos), Van dei zoere appels krieg ik zukke sleie tanden (Bov) 2. geringe ontsteking door het eten van nieuwe, rauwe vruchten (N:Zuidwest-Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slee , slee , slee
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slee , slee , sliede , zelfstandig naamwoord , de 1. slee 2. fraaie, grote auto 3. onderdeel van een schrijfmachine waarin het papier tijdens het typen naar links schuift
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slee , slee , uitdrukking , Voor opte waoge en achter opte slee, dat rij verniks mee Als je weet hoe het moet dan is alles gemakkelijk; Voor opte waoge en achter opte slee neemie de zwaerste vrachte mee Als je weet hoe het moet dan is alles gemakkelijk
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
slee , [pruim] , sliejen , klein soort pruim
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
slee , slei , (vrouwelijk) , sleie , sleike , 1. slee 2. boerenkoets met glij-ijzers
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
slee , [sleedoorn] , slieën , (vrouwelijk) , sleedoorn
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
slee , slei , sleie , sleike , slee
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
slee , slieën , slieëne , sleedoorn
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut