elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slak 

slak , slek , (vrouwelijk) , slak.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
slak , slak , (vrouwelijk) , slakken , een ontijdig geboren kalf waarvan het haar nog kort is. Met slakkenvellen worden koffers, hoofdstellen, en andere dingen, bekleed.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
slak , slak , (bijvoeglijk naamwoord) , [weinig gebruikelijk] lui, traag.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
slak , slak , (bijvoeglijk naamwoord) , lui, traag.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
slak , slekke , (vrouwelijk) , slak.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
slak , slagge , bij de zilversmeden het uitgebrande koolgruis, sintels. Zal hetzelfde woord zijn als bij v. Dale: slakken = de glasachtige verbindingen, van aardsoorten of van metaaloxyden, die bij het smelten van metalen gevormd worden. Oostfriesch slakke, slak, Middel-Nederduitsch slagge, Nederduitsch slacke, Noorweegsch Zweedsch slagg, Engelsch slag, Hoogduitsch Schlacke.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
slak , slak , als soortnaam: is ʼn bult slak in ʼt land.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
slak , slekke , (mannelijk) , Slak. Ook gemeensl. bultenaar. Wanneer men veel bultenaars tegenkomt hoort men soms zeggen: De slekken krupt, wî krîgt règen. Slekkedòp – Slakkenhuisje.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
slak , slak , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast slek, doch slak is thans de gewone vorm. Het bekende dier; zie de wdbb. || Vuyl gebroet van slekken ofte padden, SCHAAP, Bloemt. (ed. 1724), 235. Hoornkens, Schilpen en Slekhuiskens, SOETEBOOM, S. Arc. 202. – De vorm slek is ook elders gewoon.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
slak , slak , (zelfstandig naamwoord) , Bij de boeren. Een ontijdig geboren kalf (de Wormer). || Slakken hebben kort heer (haar). – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 96). – Vgl. het bij oudere schrijvers voorkomende bijvoeglijk naamwoord slak, slap, alsmede slackaert, zwak, toegevend mens, en slacken, verslappen (OUDEMANS 6, 307); evenzo Eng. slack, bijvoeglijk naamwoord – Vgl. slakkevel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
slak , slek , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie slak.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
slak , slagge* , vergel. Nederlandsch slakken = sintels, Engelsch slag.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
slak , slekke , (mannelijk) , Slak. Ook gemeensl. bultenaar. Wanneer men veel bultenaars tegenkomt hoort men soms zeggen: De slekken krupt, wî krîgt règen. Slekkedòp - slakkenhuisje.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
slak  , slek , slak.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
slak , slakke , vrouwelijk , slak
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
slak , slakken , slakken
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
slak , slakken , Thomas-slakkenmeel Ca3 (PO4)2.CaO ofwel Ca4 P2O9, een veel gebruikte fosfaatmeststof in 1879 voor het eerst gefabriceerd volgens het procédé van de Engelse ingenieur Sidney Chilchrist Thomas
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
slak , slak , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze ’n slak en ’n haas viere g’loik nuwjaar, advies om het kalmer aan te doen, daar men met al zijn gejacht uiteindelijk toch niet veel opschiet.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
slak , slek , zelfstandig naamwoord , slak (KRS: Lang, Coth, Werk) In Langbroek is een buurtschap met de naam Slekkenakker . Voorts in de uitdrukking zo vet als een slek : zeer vet. (KRS: Lang, Werk).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
slak , slakke , slak; * een slakke en een haeze hebt gelieke nieuwjoar: we hebben allemaal tegelijk nieuwjaar.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
slak , slak , slakke , de , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook slakke (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. slak Der zit nog een slak in de slao (Sti), Met dit natte wèer zit er een bult slakken in de tune (Hijk), Hij is zo vet as een slak (Emm), Aj wat zolt op een slakke doet, slinkt hij zo vurt (Ruw), Met slakken wör de waogenas smeerd as ze in het laand wazzen (Row), Wij kriegt slecht weer, want de slakken bint zo in de wèer (Pes) 2. (verkl.) klein kalf of afgezette embryo (Zuidwest-Drenthe) Een klein kalf is een slakkie (Ruw), Een slakkie is een veul te vrog geboren kalf (Dwi), Der laag een slakkie in de gruppe (Dwi) 3. (verkl., mv.) stukjes slijm op de tong van een pasgeboren kalf (Smi) 4. metaalafval, gesmolten metaal Bai het lassen broekt ze een pikhaomer om de slakken weg te houwen (Eev) 5. (mv.) sintels Sintels neumt ze ok slakken (Eli), Der zit aordig slakken in de kachel (Sle) *De slakken kroept op pad; het giet op règen an (Hgv); As kinder gungen wie bie een slakkenhuus zitten en zeden: Slakkie, slakkie, steek dien horentjes uut, anders braan ik dien huusie op (Erf), ...ik zal dij een beddegien maken van geel bescheten laken (Sle); Slakken begunt ok weer te krupen gezegd als er een gebochelde langskwam (Sle),
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slak , slèk , slak.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
slak , slakke , slak
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slak , slâkke , slak.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
slak , slékke , slakken , De slékke frèète in d’n hof alles af, wa moet ik daor nouw toch wir meej begiene? De slakken vreten in de tuin alles op, wat moet ik daar nu toch weer mee beginnen?
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
slak , slakke , zelfstandig naamwoord , de 1. bekend weekdier: slak 2. iemand die zich langzaam voortbeweegt 3. te vroeg geboren, dood kalf 4. slak, sintel (vooral: in de kachel)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slak , slakkie , zelfstandig naamwoord , slakkies , [Zbl] keerdammetje met uitlaat
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
slak , slèk , slak
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
slak , slakke , (zelfstandig naamwoord) , slak.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
slak , slek , slak , ik ben vies van slekke = ik ben vies van slakken-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
slak , slap , slak , lenig.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
slak , slek , slekke , slak.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
slak , snekke , slak (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
slak , slek , (vrouwelijk) , slekke , slekske , slak , Doe mós neet op alle slekke zaot lègke. Versje: Slek, slek, kóm mer oet d’n duvel duit dich niks.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
slak , slèk , zelfstandig naamwoord , slak; WBD III.4. 2:207 'slak' - huisjesslak (Helicidae), ook genoemd: 'karakol'; En ge lopt as 'n slek! Konde nie wè vortmaoke?! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun in den trein’; NTC 16-9-1939); Et ging nie snel, un slek ha dè pèrd meej gemak bijgehaawe. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); WBD III.2.1:255 ' slak' (enk.) = sintels; Goem. SLAK - slèk, zelfstandig naamwoord vr., verkleinwoord slèkskə; Antw. SLEK, SLAK zelfstandig naamwoord  v. (Kemp. släk): zoo traag als 'en slek; WNT SLAK (de vorm SLEK is gewestelijk nog zeer verbreid, vooral in Z. -Ned.)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
slak , slek , slekke , slekske , slak
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut