elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slager 

slager , slager , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. krengeslager en robbeslager.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
slager  , slaeger , slager, instrument bij het beugelen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
slager , slääger , mannelijk , slager, vleeshouwer; zie: slächter
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
slager , sleagr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , sleagrs , sleagrken , 1 zwengel, 2 slinger van klok, 3 ijzeren bout over vensterluik
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
slager , slééger , soort slaghout, gebruikt bij het sléégere “slageren”, een jongensspel; meervoud sléégers.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
slager , slager , slaoger, slaeger , de , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook slaoger (Noord-Drenthe), slaeger (Zuidwest-Drenthe, noord) = slager De slaoger gebruukt een uutbeenmes (Ass), As ie een slager an zien messen komt, kom ie an zien gevuul (Nam), z. ook slachter
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slager , slager , slaeger , de , slagers , (Zuidwest-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook slaeger (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. zwengel Der mekeert wat an de (pomp)slager (Hgv) 2. slinger van de klok (Zuidwest-Drenthe, noord) De slaeger, die stiet ook stille (Dwi), z. ook slegel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slager , slachter , slager.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
slager , slager , zie slachter
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slager , släger , (Gunninks woordenlijst van 1908) zwengel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slager , slaeger , slager.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
slager , slaeger , zwengel van een pomp.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
slager , slaeger , zelfstandig naamwoord , de; zwengel van een pomp
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slager , slaeger , zelfstandig naamwoord , slaegers , slaegertie , slager
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
slager , slaeger , slaegel, slaege, slager, släger , pompzwengel.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
slager , slaeger , (mannelijk) , slaegers , slaegerke , 1. slagman 2. slaghout
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
slager , slaeger , trommelstok
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut