elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slagenĀ 

slagen , slagen , Slagen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
slagenĀ  , slaage , slaag, sleis, sleit, sloog, geslage , slaan.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
slagen , slagen , slaogen, slaegen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook slaogen (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), slaegen (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. lijken op (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Mij donkt det hij meer op zien va slaagt as op zien moe (Ruw) 2. grenzen aan (Zuidwest-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Dat laand slag an mienend (Gie) 3. succes hebben, slagen (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) Veur boschoppen moej in Coevern wezen; daor kuj goed slagen (Coe), Hij kan goud leren, hij slagt overal veur (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slagen , slaegen , werkwoord , 1. sterk lijken (op) 2. bereiken wat men nastreeft, succes hebben 3. met goed gevolg examen doen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slagen , slaoge , werkwoord , slaan (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
slagen , slaoge , zwak werkwoord , slagen; WBD III.1.4:338 'slagen' = gelukken; B slaoge - slaogde - geslaogd geen vocaalkrimping; Antw. SLAGEN Wordt altijd gebruikt voor 'slaan', Fr. battre, frapper.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut