elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slachter 

slachter , slagter , slachter , voor slager. Algemeen is dit hier zoowel voor iemand die vee, bepalende dit zich hier meest tot de varkens, voor anderen slagt, als voor zich zelven v
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
slachter , slachter , slager, vleeschhouwer, en: die runderen, schapen en varkens voor anderen slacht; ook Noord-Brabant Voor den familienaam: Slager, wordt ook: Slachter gezegd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
slachter  , slechter , slachter.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
slachter , slächter , mannelijk , slachter. ’n Slächter slacht een koe of varken tegen loon bij anderen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
slachter , slachter , m , slager. Harrie de slachter . Harrie de slager.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
slachter , slèchter , huisslachter.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
slachter , slachter , de , slachters , Var. als bij slachten = slachter De slaachter mot aaltied oppassen dat de galblaos heel blif (And), Het was altied een hele drokte as de slachter kwam en mus amit het water al vro an de kook (Rui), De slaachter komp um een uur of zes het zwien ofhouwen (Bal), z. ook slager
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slachter , slachter , slächter , slager. Ook: slager, Gunninks woordenlijst van 1908: slächter
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slachter , slaachter , slachter, slager , zelfstandig naamwoord , de; slager
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slachter , slachter , slager
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
slachter , slachter , zelfstandig naamwoord , slager (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
slachter , [slachter ] , slechter , (mannelijk) , slechters , slechterke , slager
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
slachter , slachter , zelfstandig naamwoord , slager; Kees en Bart – Tilburgsche Post ca. 1935 – slachter (passim); ene slachterswinkel; slachter Petit; Kees en Bart – Tilburgsche Post ca. 1935 – menig era slachterke; A.P. de Bont – zelfstandig naamwoord m. - slachter, slager; Antw. SLACHTER zelfstandig naamwoord m. De beenhouwers slachten verkens, schapen en hoornbeesten. Door 'slachter' en 'slèger' verstaat men in de Kempen iemand die dieren, vooral zwijnen slacht bij de boeren, die verkens opkoopt en slacht, maar zelf geenen vleeschwinkel houdt.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
slachter , slechter , slager
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut