elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slachten 

slachten , slachten , slechten , (werkwoord) , gelijken. , Gij slacht (de a lang) hem. Die twee slachten elkaar.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
slachten , slachten , slagen, vee dooden.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
slachten , slagen , slachten, gelijken.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
slachten , slachten , voor: dooden = de bijen uit een korf door middel van zwaveldamp dooden en den honig er uit nemen. “Slechts enkele korven hebben zooveel gewigt, dat ze in den herfst “geslacht” kunnen worden.” (Oostwold, (Westerkwartier) 24 Augustus 1869). Als zelfstandig naamwoord = de slacht; zie: slachterei.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
slachten , slaagĕn , gelijken.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
slachten , slagen , Slachten. H(i)ee slagt mîn wat (heeft wat van mij).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
slachten  , beslagte , gelijk zijn. Dae beslag den andere wat, die is gelijk aan den andere.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
slachten , slachten , [slaxәn] , zwak werkwoord , slachten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
slachten , slachten , slacht (enkelvoud, tegenwoordig tijd) , dat je mijn beslacht (slacht); ik denk er net eender over. Ook op iemand lijken: hij beslacht mijn neef.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
slachten , slachte , werkwoord , Van hetzelfde slag zijn, gelijken op. Zegswijze slacht moin wat, zo denk ik er ook over, zo sta ik er ook voor, zo is het mij ook vergaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
slachten , slachte , doden van het rund.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
slachten , slachen , slächen , slachen, eslacht , slachten.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
slachten , slachten , slaachten , zwak werkwoord, overgankelijk , Ook slaachten (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. slachten Het zwien is klaor. Wij gaot hum aandere week slachten (Eke), Zie slacht er goed van slachten veel in een jaar (Sle), (zelfst.) Bij het slachten gebruukten ze nagelgroes (Bei), November was de tied van het slachten (Eel) 2. doden van de bijen om de honing te kunnen winnen As het Sliener mark was, slachtte mien va de eerste iemen zwavelde hij ze uit (Sle), Hij is de bijen an het slachten, hij het de körf op een braandend lappie met zwaovel zet (Ktv), Iemen slachten is wel een mooi wark, de bere slachten niet de beerput legen niet (Eli) *Tien boeren slaachten een eiber en dan roupen ze nog: Wat een vet (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slachten , slachten , ook beslachten, gelijken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
slachten , slachen , (Kampereiland, Kamperveen) slachten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slachten , slächten , (Gunninks woordenlijst van 1908) slachten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slachten , slächten , gelijken, in: IJ slagt oe wat (Kampen) ‘hij lijkt wat op jou’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slachten , slâchn , slachten.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
slachten , slaachten , slachten , werkwoord , 1. slachten 2. (m.b.t. bijenkorven) leeghalen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slachten , slachte , werkwoord , slacht, slachtende, geslacht , slachten Ellek jaer in november slachtende me een verreke va’ meer as 300 pond Ook spekprijze Zie ook ongele
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
slachten , slachen , (werkwoord) , slach(t)en, eslach( , slachten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
slachten , slaachte , zwak werkwoord , slaachte - slaachtte - geslaacht , slachten
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut