elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sik

sik , sikke , siksken , geit, lange baard. De geit is in dit woord inderdaad naar den baard genoemd. Sanskrit chaga, geit [sjaga, sege] s-chaga. Isl. skêgg, baard. Het pl. d. heeft seeg in de beteekenis van een ruige dot. Een seeg hede, een bundeltje werk om te breeuwen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
sik , sik , "geit, baard; doch meest lachende."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
sik , sik , sikke , Geit, hoogduitsch Ziege, alsmede Zicke, dat echter meer een gewestelijk woord is, ofschoon Voss het in zijne vertaling van Theokritus, Tübingen, 1808, blz. 3 verkleinenderwijze gebruikt, als: ‘Lieblich ertönt das Geräusch, das die Pinie drüben, o Geisshirt, / Dort an dem Felsengequell uns herabschwirrt. Lieblich ertönt auch / Deine Syring’; es gebührt nächst Pan dir der andere Kampfpreis. / Wenn er den Bock sich gewann, den gehörneten; nimmst du die Ziege. / Wenn zum Lohn er die Ziege sich eignete; folget das Zicklein / Dir; und das Fleisch ist schön dem Zickelchen, bis du es melkest’ [wie bewondert deze heerlijke constructie niet? Die het evenwel mocht doen, raadplege vooraf met hetgeen Bilderdijk, Najaarsbladen, II, 118 - 121, over eene ode, nota bene nog wel aan de welluidendheid, van dezen dichter zegt, waar men almede vindt aangetoond, dat ook het rijm den ‘beroemden Voss’ waarlijk niet voor de voeten lag]. Sik voor geit vind ik ook in een liedje, medegedeeld in het Nederl. Liedeboek, 1850, blz. 53, getiteld, ‘zoete vrijazie.’ ‘Kees zei tot Jaap, / En hij wou uit vrijen gaan, / Naar mooie Neel, / Die stond hem bijster aan; /De bloed ging heen, / Om ’t meisje te bepraten; / Maar wat hij deed, / Het mogt nogtans niet baten. / Loop, zei zij, gek, / Ga vrij weer henen treên; / Krijgt eerst een baard, / Gij loopt een blaauwe scheen. / Een vrijer zoo als jij, / En zonder baard, / Die is bij mij / Niet eenen oortje waard; / Al vrij je jou / Leven, alle jou dagen, / Gij zult mij toch / Nimmermeer behagen. / Jou mellekmuil, / Wel wat een zot bedrijf; / Krijg eerst een baard, / En zie dan naar een wijf. / Wel Neeltje lief, / Houdt je zo van een baard, / En is die dan / Toch zo veel bij u waard? / Wel onze sik / Die heeft een langen schoonen, / Gij kunt aan hem, / Wel uwe liefde toonen,’ enz. Kiliaan heeft voor geit of sik, ceghe en seghe en Meijer (Woordenschat) zeeghe. Vergelijk Hoeufft, Bred. T. E. op zegemanneken en vooral Clignett, Bydragen, enz. 1819, blz. 167. Het woord komt voor in een soort van kinderraadseltje, dat wel iets heeft van het zoogenaamde kramer- of kremerlatijn en ’t welk, schielijk uitgesproken, dat kleine volkje met open oor en mond doet toeluisteren en waarop geheel hun verstandje wel eens stilstaat; het is: ‘Aalataal, / Papatdeman, / Ramatooi, (hooi). / Sikatmeê.’ De naam van sik komt van den langen baard of sik der geit, waarom Vondel in zijne Warande der Dieren, ook zegt de lang-ghebaarde geyte. Kinker, of, wil men Bilderdijk [zie den Navorscher, 1855, blz. 137. Mr. M. C. van Hall, spreekt in zijne ‘Bijdragen tot het leven van Kinker.’ Amst. 1850, blz. 35, van deze parodie, als door Kinker vervaardigd], heeft in der tijd het woord sik voor baard, nog meer aanschouwelijk gemaakt door het te koppelen aan een ander; zie zijne geestige parodie van Feiths Alrik en Aspasia, waarin op blz. 10 het volgende te lezen staat: ‘Zijn … zonk loodregt met het hoofd / Zijn blos is heen gevlogen. / Hij draagt een ruige baard als ik; / (Een rechten vuilen Smousensik), / En gaat naar ’t graf gebogen. / Net zo als ik.’ Waarvoor Feith zelf heeft: ‘De zon zonk loodregt op zijn hoofd, / Zijn blos is heengevlogen, / Hij draagt een ruigen baard als ik, / En gaat naar ’t graf gebogen.’ (Romances, Haarlem, 1787). Vergelijk nog mijn opstelletje ‘Taalverrijking’ in den vorigen jaargang van dit tijdschrift, blz. 36 volg.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
sik , sik , geit. Gron. sik, sikke, voor: bok of geit, bij ’t aanroepen. ZHoll. sik = geit, HD. Ziege. Neders. zikkelke = een jonge bok.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
sik , sik , (mannelijk) , geit.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
sik , sikke , (vrouwelijk) , geit.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
sik , sik , sikke , voor: bok, of: geit, bij ʼt roepen; ook Drentsch; Zuid-Hollandsch sik = geit, Hoogduitsch Ziege; Overijselsch sik = bok; Nedersaksisch zikkelke, een jonge bok; Oostfriesch sikke, ssikke = Hoogduitsch Zicke = jonge geit. Oud-Hoogduitsch zikkin, zikin, Angel-Saksisch ticcen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
sik , sikke , (mannelijk) , Geit. Sikken(h)ok, sikkenstal, sikkenvûr, sikkemelk enz. In de omstreken hoort men ook: Sége voor sikke.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
sik , siek , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Te Assendelft zeer gebruikelijke benaming voor een geit. – Ook te Krommenie bekend. Het woord betekent ook wel bok. – Vgl. sik.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sik , sik , sikkebok , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Verkl. sikkie. Geit. Daarnaast sikkebok, geitebok. Zo ook elders; zie de wdbb. – Vgl. siek, en witsik.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sik , sik , zie hortsik.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sik , sikke , (mannelijk) , Geit. Sikken(h)ok, sikkenstal, sikkenvûr, sikkemelk, enz. In de omstreken hoort men ook: Sége voor sikke.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
sik , siek , sik.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
sik , sik , mannelijk , sikke , geit, spits kinbaardje
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
sik , sik , zelfstandig naamwoord, mannelijk , sikke , siksken , 1. geit, 2 puntbaardje. Lachn as nen sik in de braadnetl, lachen als een boer die kiespijn heeft; nen sik tusken de huerne kùnn kusn, vreselijk mager zijn;zo niejskierig as nen sik, erg nieuwsgierig; veweann sik, verwend jonget
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
sik , sikke , geit
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
sik , sikkie , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: geitje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sik , siek siek , roepwoord voor de geit.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
sik , sikke , 1. puntbaardje. 2. geit. 3. kattig meisje.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
sik , sikke , 1. kattig meisje; 2. sik.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
sik , sik , sikke, zege , de , sikken , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook sikke (Zuidwest-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe), zege (Zuidwest-Drents veengebied, Veenkoloniën) = 1. geit Hij gait mit de sikke naor de bok (Nsch), Aj een sik in het oor beten en ij vrugen dan: wanneer trouw ij. Dan zee e: mèèèi (Sle), (fig.) Hij hef weer een sik an touw is dronken (Bov), De sikke mot even verstikt worden gezegd als men ging plassen (Bco), Der giet een sikke langs met een pakkien beschuten onder de steert bij stilte, dominee gaat voorbij (Klv) 2. lokroep voor een geit 3. (vaak verkl.) baardje (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) Dat sikkie stiet hum niks (Eli), En dan stek hij zien sikkien veuruut en begunt te redeneren (Mep) 4. verwaand vrouwspersoon, eigenwijs, vinnig, er is niets mee te beginnen, soms ook gezegd van een man (Zuidwest-Drents veengebied) IJ hebt een bok van een kèrel en een sik van een wief (Sle), Dat is zo’n sik, die kan haost gien vriendinnen holden (Bor), Verwende sikken aj binnen (Nam) 5. oud paard (Zuidwest-Drents veengebied, Kop van Drenthe) Wat hef e een olde sik veur de waogen (Eel) *Rieget joe, har de boer zegd, want hij har een zege op staal had (Eco), z. ook bij geite-
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sik , siek , tussenwerpsel , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = roepnaam voor een geit
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sik , sik , geit.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
sik , sik , 1. roepnaam voor een geit; 2. roepnaam voor een kalf (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
sik , sikke , 1. sik (baardje); 2. Gunninks woordenlijst van 1908: geit
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
sik , sikkien , (Kamperveen) roepnaam voor een jonge geit of een jong kalf
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
sik , sikke , 1. sik. 2. geit.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
sik , sikke , sik , zelfstandig naamwoord , de 1. geit 2. schaap
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sik , sik , tussenwerpsel , lokroep voor schapen en geiten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sik , sik , zelfstandig naamwoord , de 1. sik, spits baardje 2. oude kerel 3. locomotief van een goederentrein
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sik , sik , zelfstandig naamwoord , sikke , sikkie , geit De sik stong an een gaaitepin langs d’n dijk Ook gaait
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
sik , sikke , (zelfstandig naamwoord) , 1. geit; 2. sik, klein baardje; 3. (minachtend) kind, vrouw. Wat bin ie een verwende sikke! Zie ook: geite.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
sik , sik , zelfstandig naamwoord , bok (Den Bosch en Meierij); sik; gemeentesecretaris (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
sik , sikske , zelfstandig naamwoord , "verkleinwoord; tabakspruimpje; N. Daamen - Handschrift 1916 – ""hij naam irst 'n klain sikske (tabakspruimpje)""; Van Dale - sjiek (gew.) tabakspruim; WNT SIK (III) ontl. aan Fr. 'chique' - pruim tabak; pruimtabak (gew. Z-N.); WTT-2012: Uit het Frans: Chiquer, pruimen, namelijk tabak pruimen 'in de wang'; vergelijk Engels CHEEK."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut