elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zijpen

zijpen , ziepe , zijpelen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zijpen , siepen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe) = zacht huilen, grienen Det jonggie hef wat siepen daon, doe zien knienegien dood was (Bro), Ie kunt nog niet naor hum wiezen of hij stiet al te siepen (Flu) 2. geluid van schurende broekspijpen (Zuidwest-Drents veengebied) Dei bukse siept aj loopt (Bco), z. ook sjiepen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zijpen , ziepe , zieptj, ziepdje, gezieptj , druipen , Miene jas ziepdje (oet) vanne raengel.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut