elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schuin 

schuin  , schün , schüns  , schuin.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schuin , schüün , schüüns , schuin
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schuin , skuun , bijvoeglijk naamwoord , skuundr , schuin
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schuin , schune , m , schuinsmarcheerder Wá ’ne schune . Wat een schuinsmarcheerder!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schuin , schuuns , schuin.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schuin , schuun , schuin, schuuns, schuins , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook schuin (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Als bw. ook schuuns, schuins = 1. schuin Ik har de harke schuin tegen de mure ezet (Ruw), Die kast stiet wat schuuns (Klv), Wij loopt er schuun op an binnendoor (Sle), Schune drop wybertjesvorm (Erf), Hij woont schuin tegen ons over (Pes), Hij gung schuun over dwars niet rechtdoor (Bov), Zij gungen er mit schraankeln schuun aover dwars deur (Zdw) 2. goor Die kerel is niks an. Hij vertelt altied schuine moppen (Dwi) *Recht deur zee en schuuns deur de pankouken (Eev)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schuin , schuun , schuuns , schuin. Hier schuuns teegnaover woont mien zwaoger.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schuin , schuin , schuun , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. scheef, schuin 2. onzedelijk, schunnig, smerig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schuin , skuun , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , schuin. Die lieste angt skuun.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schuin , schuuns , schuin.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schuin , sjuun , sjuins, sjuuns , sjuunser, sjuunst, sjuinser, sjuinst , 1. schuin 2. schunnig, zie ook sjuins , Die moor luiptj sjuins: niet haaks.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schuin , schèùn , bijvoeglijk naamwoord , schuin; ene schèùnen bak - een schuine mop; WBD III.1.4:210 'schuin' = boertig; ook 'schuins'; WBD III.4.4:226 'schuin', 'schuins' = scheef, ook 'scheel', 'slim'; — schèùn - schönder - schönst; Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 35) schèùnst/ schönst, maar met flexie-e: schèùnste
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
schuin , schuun , schuuns , schuun(s)er – schuuns , schuin
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut