elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schuimlepel 

schuimlepel , schü̂̂nlèpel , (mannelijk) , schuimspaan.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
schuimlepel , [schuimspaan] , schü̂nlèpel , (mannelijk) , Schuimspaan.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
schuimlepel  , schümlaepel , schuimspaan.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schuimlepel , schûûmlepel , (Gunninks woordenlijst van 1908) zie skuumspaone
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schuimlepel , schoemlèèpel , schuumlèpel , schuimlepel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schuimlepel , schoemlepel , zelfstandig naamwoord , de; schuimspaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut