elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schreur 

schreur , schrör , (mannelijk) , kleermaker, snijder.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schreur , schreur , schroor , (Westerkwartier), veel algemeener snieder = kleermaker; schreuren = sniedêrn = kleermaken; zie Laurm. bl. 116 en 136. Bij van Halsema ook: schreur = kleermaker; te Niezijl, enz. begint dit woord te verouderen. – schroor is het Friesch skroar, Kil. schrooder, ook GelderschOostfriesch schroeder, Oud-Friesch skrader, skreder, Noordfriesch skruder, Deensch schröder, schrö̂er, schrader, van het Oud-Hoogduitsch scrôtan, Middel-Hoogduitsch schrôten, Oud-Friesch scrêda = snijden, afsnijden, Angel-Saksisch screodan. Vgl. ook het IJslandsch, Ouddeensch skrud = iets waarmede men zich opsmukt, tooit, inzonderheid een fraai kleed; IJslandsch scryda = versieren, tooien; Angel-Saksisch scrydan, scriddan = kleeden. – Hiervan ook de familienaam: Schreuder, in Oost-Friesland Schröder.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schreur  , schruur , kleermaker.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schreur , schreur , sni-jer.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
schreur , sjruuer , (mannelijk) , sjruuers , sjruuerke , 1. kleermaker 2. rare persoon, zie ook kleiermaeker
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut