elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schreeuwen 

schreeuwen , schreeuwen , (werkwoord) , schreiën, weenen. Voor luid roepen is ’t weinig gebruikelijk, wel voor eenen schreeuw geven of laten, dat is een luid geroep, gil.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schreeuwen , schreeuwen , schraw, eschrien, eschreeuwd , schreeuwen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schreeuwen , schreeuwen , voor: het blaten van lammeren, die van de schapen genomen zijn. Zie ook: schrijven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schreeuwen , schrijven , schrauwen, schreiwen, schreuwen, schrijwen , schrijven (Oldampt, Westerwolde) = schrauwen (Westerkwartier) = schraiwen, schreiwen, schreuwen, schrijwen, schriwen, schreeuwen (Hoogeland) = schreien, huilen, en: hard roepen, schreeuwen, gillen. Hiervan: schrijfbek = hoelbek = schrijfsnoete, enz. huilebalk, enz. Spreekwoord: As kinder heur wil kriegen den schrijven (schrauwen, enz.) ze nijt. (als kinderen hun zin krijgen schreien ze niet), dat is toegeven is het eenige middel om met een koppig, luimig, onverstandig mensch vrede te houden. Hierbij wordt de bedoelde persoon als zeer kinderachtig aangeduid. Zuid-Hollandsch schreeuwen, Geldersch schrauwen, Zeeland schreeuwe = schreien; Oostfriesch schrêven, schrêwen, schreien = schreien, hevig en luid weenen; Middel-Nederlandsch schrowen, scrouwen = schreeuwen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schreeuwen , schrijven* , Middel-Nederlandsch schrowen, scrouwen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schreeuwen  , schriëve , schreeuwen. Hae schriëf of hae in ein mets hing Hij schreeuwt erbarmelijk.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schreeuwen , skreêuwe , werkwoord , Ook: schreien, (luidkeels) huilen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schreeuwen , schrowwe , böäke.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
schreeuwen , schreuwe , werkwoord , huilen. Zegswijze: Alle tròntjes (traantjes) die ge schreuwt hoefde nie te pisse. Zie ook: kwèèken.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
schreeuwen , schruwen , schrouwen, schreiwen, schraiwen, schreeuwen, schri , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drents zandgebied). Ook schrouwen (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), schreiwen (Zuidwest-Drents veengebied), schraiwen (Veenkoloniën), schreeuwen (Zuidwest-Drents zandgebied, Noord-Drenthe), schrieuwen (Zuidwest-Drents zandgebied) = 1. schreeuwen De vrouwe stund achter het huus en schrouwde: Het èten is klaor (Hgv), Hij schrouwde moord en braand (Dwi), Wat schruwt die krèeien (Sle), Een schrouwokster en een oel schrouwt, en gaanzen ok (Row), Hèur de hoender ies schruwen, wij kriegt wind (Sle) 2. huilen Muj um zo’n klein splintertien zo schrouwen (Ruw), Aj valt, hoej niet zo te schrouwen (Hol), Dat kind schreift de heile dag (Bov), Zai schraift van hellighaid (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schreeuwen , schreùwen , schreeuwen, schreien.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schreeuwen , skriwwen , skreeuwen , 1. schreeuwen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: huilen. Ook: skreeuwen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schreeuwen , schreuwe , huilen , Ge moet nie schreuwe ménneke, ik zal'ler gaauw 'n plôster ópplékke èn dan is't bèèter. Je moet niet huilen kind, ik zal er vlug een pleister opplakken en dan is het beter.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schreeuwen , schrieuwen , werkwoord , var. van schreeuwen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schreeuwen , schrêêuwe , werkwoord , schrêêuw, schrêêuwde, geschrêêuwd , 1. schreeuwen 2. huilen Da’ kind leg al hêêl d’n ochend te schrêêuwe
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schreeuwen , schröwe , huilen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schreeuwen , schreuwde , huilde
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
schreeuwen , skreeuwen , skriwwen , (werkwoord) , skreeuwen, eskreeuwd , schreeuwen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schreeuwen , schreeuwe , huilen
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
schreeuwen , schrùwwe , janken, huilen , Ónze Gird schrùwt um ’n scheet. Onze Gerard jankt om een scheet. Hij brult om niks.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schreeuwen , schriëëwe , huilen van verdriet
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
schreeuwen , schreiwen , sjreiwen , schreeuwen (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schreeuwen , schrouwen , schreeuwend huilen (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schreeuwen , schrauwe , schreuwe, schruwwe, skreuwe , werkwoord , huilen (Land van Cuijk) schreuwe; huilen (Tilburg en Midden-Brabant); schruwwe; huilen (Eindhoven en Kempenland); skreuwe; huilen (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schreeuwen , sjrieëve , sjrieëwe , sjrieëftj, sjrieëfdje, gesjrieëfdj , schreeuwen , Sjrieëf neet zoea! Sjrieëve wie ei mager verke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schreeuwen , schreuwe , zwak werkwoord , schreuwe - schruwde - geschruwd , schreien, huilen; Et bluujke laag hil den dag te schreuwe. met vocaalkrimping; In tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij schruwt; Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - Ge kunt er beeter meej laagen as meej schreuwe. Den Zondag daorop was den nuuwen heer aon de beurt mee 't preeke. De vrouwkes hadden erop gerekend, detter geschreuwd zou moeten worren en waren veurzien van zakdoeken. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938); Ze viel mee d'r gezicht op d'r ermen en begos te schreuwe... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939); Cees Robben – Van schreuwe tot laage... (19570112); Schreuwe dèsse dinne. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website ‘Tilburgs Taolbuuroo’, 2012); WBD III.1.4:252 'schreien' = huilen; 254 'schreeuwen' = luid schreien; Pierre van Beek - snòt èn kwèl schreuwe (Tilburgse Taalplastiek 175); Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - wè stoa de doar zoo te schreuwe? - wat staat gij daar zoo te scheien?; Henk van Rijen - 'schreuwe'; WvM 'soo schon da'k moes schruwwen'; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schreuwe ww - huilen; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww. intr. schreeuwen 1) schreien, wenen, huilen; 2) Klagend schreien van een haas als-ie in een strik loopt. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHREEUWEN voor schrijen, vroeger kriten, krijten, waarvan 'kreet'. C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHREEUWEN (schreuwe) onov. ww - schreien; vriendelijk, gevoelig woord daor hoefde nie um te schreuwe. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHREEUWEN Fr. crier; krijten, schreien, luidkeels klagen; weenen, stille tranen storten; schruwt, schruwde - schreit, schreide; tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'schreuwe', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
schreeuwen , schrouwe , schrouwde – geschrouwd , schreien
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut