elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schreeuw

schreeuw , schriw , schreeuw , (Hoogeland) = levendigheid, vlugheid, moed, zelfvertrouwen, zucht om te heerschen, enz., van vrouwen; schriw gait ’r oet = zij laat zich niet meer zoo gelden, heeft niet zooveel bestels als vroeger, is niet zoo aanmatigend, scherp, bits, vinnig, meer; “Den was ter ’n oldachtig, astrante mevrouw, daor zat schriw ien, ken ’k joe zeggen.” Zal staan voor: schreeuw, gil; dus eene vrouw die door schreeuwen en gillen haren wil doordrijft.
schreeuw (Hoogeland), in: zit schreeuw in = de vrucht groeit snel, gaat hard vooruit. Zooveel als: schrijdt snel voorwaarts, van: schrijden = gaan, waarvoor men in andere gevallen zou zeggen: er zit gang in.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schreeuw , schriëf , schreeuw.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schreeuw , skriw , skreeuw , schreeuw
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schreeuw , skreeuw , skreeuw-, skriw, skriw- , (zelfstandig naamwoord) , schreeuw.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schreeuw , sjrieëw , (mannelijk) , schreeuw
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schreeuw , schrieëw , schrieëwde – geschrieëwd , schreeuwen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut