elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: plek 

plek , plak , plek , (vrouwelijk) , plaats. , Ik verlang een plaats (plak) in een kerkbank. Er is plak voor 100 man in die kamer. In de plak van mijnen broeder zal ik gaan. Zie Plek.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
plek , plak , vlek. , in de kleederen, op het papier. De plak was vroeger een strafwerktuig in de school.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
plek , plak , voor: plein; schoalplak, schoolplak = schoolplein, speelplein bij eene school. Noord-Brabantsch plak = plek, plein; Zeeland plekke = een met steenen bevloerd plein achter een huis; West-Vlaamsch plek, plekke = plaats, ruimte. Ook: in plekke van = in plaats van. Oostfriesch plakk = plaatsje, bleekveld. – Ook = zit- of staanplaats om iets te kunnen aanhooren of zien: wie hebben hier ’n gouie plak, d’r zel nog wel ’n plak veur mie wezen (Westerkwartier, Hoogeland) Zuid-Hollandsch plek = plaats, zitplaats. – Van een predikant, (dokter, enz.) die op zijne standplaats veel inkomen heeft (of veel geld kan verdienen) zegt men ook: hij het doar ’n gouie plak, en in die beteekenis: ’n plak hebben = eene standplaats hebben, of: zich ergens gevestigd hebben; gijn plak hollen = gedurig veranderen van woonplaats of beroep. – dat ding mout’n plak hebben = dat voorwerp, meubel, enz. moet ergens geplaatst, neergezet worden; wie hebben doar gijn plak veur, bv. voor eene secretaire. Vgl. ploats, en: stee.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
plek  , plek , inkt- of vetvlek, ook plaats.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
plek , plekke , vrouwelijk , plek; zie ook: stiää
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
plek , plek , plaats. Ook: in plek dat . . ., in plaats dat.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
plek , plak , m , stuk land ’ne Grote plak grond um te tèûle Een groot grondstuk om te telen; veld ’ne plak érrepel Een stuk aardappelveld.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
plek , plak , en stuk lând.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
plek , plak , plaats, plek, stuk grond; plak grónt, stuk land, lap grond in het algemeen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
plek , plak , zelfstandig naamwoord , plaats. Wordt op verschillende manieren gebruikt. 1. Onze buurman hè on d’n Gòlsen Dèèk ’nen hille plak grònd ligge. Een groot stuk grond. 2. Op veul plakke is d’n bloesem bevroore. Op veel plaatsen. 3. Hij ging euze in plak van nor school te gaon. In plaats van. 4. In de plak van te moppere moeste blij zèn! In plaats van. 5. Mokt es wè plak. Plaats maken. In de plak van plak wordt ook dikwijls plots gebruikt.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
plek , plekke , plekkie , plek.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
plek , plek , plekke, plak , de, het , plekken , Ook plekke (Zuidwest-Drenthe, veengeb. Oost-Drenthe), plak (Kop van Drenthe) = 1. plaats Wij bint op de plek van bestemming (Dro), Op dit plek he’k mien mes verloren (Eev), Ik weet die plekke nog precies (Hgv), Dat is een mooie plek um te wonen (Bal), Ze wonen ieder keer weer op een aander plek (Eel), Wij zit nog op de aolde plek oude woonstede (And), Bij aander plakken heb wij gien waoter had vergeleken met andere plaatsen (Een) 2. plek, vlek Wat veur een plek hes dou daor op de arm? (Coe), As ze kwaod is, krig ze van die rooie plekken in de hals (Noo), Een versleten plek in de boks (Bui), Wat hef die een kaole plek in het haor (Eke), Der zit een minne plek in de akker (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
plek , plak , uitgestrektheid, hoeveelheid: unne plak wàtter, een plas water; ze hebbe unnen hèlle plak afgemaeit, men heeft een grote uitgestrektheid hooiland gemaaid. Niet iedereen betaalt bij die kapper evenveel: ge moet door betaolen venant plak, je betaalt daar naar de hoeveelheid haar die geknipt wordt. De oude wijze van landmaat op te geven is: dè láánd is ’n schepel plaks, ’n mud plaks, die akker is zo groot, dat men een schepel, een mud koren nodig heeft om hem in te zaaien. verkl. plèkske.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
plek , plèk , vlek.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
plek , plekke , plek
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
plek , plak , plek, plaats, vlek , Héd'de in d’n hof die kaol plak al ingezaojd of wul'der iet anders zètte? Heb je in de tuin die kale plek al ingezaaid of wil je er iets anders planten?
Ur zén 'n ôntal waojpaole kepot, ge meugd daor nuuw vur in de plak zètte. Er zijn 'n aantal afrastering palen stuk, je mag er nieuwe voor in de plaats zetten.
Verkleinvorm plékske. De kieppe lègge gereegeld óp 'n ander plékske, de lègnèst zal wél nie bevalle. De kippen leggen regelmatig op een ander plekje, de legnest zal wel niet bevallen.
Meervoud plakke. Ur zitte ammel van die natte plakke in'new kliir, wór héd'de wir ingezeete? Eer zitten allemaal van die natte vlekken in je kleding, waar heb je weer ingezeten?
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
plek , plak , zelfstandig naamwoord , et, de 1. plaats, punt 2. punt, plaats waar iets of iemand zich bevindt 3. dienstbetrekking, met name van een boerenknecht of -meid 4. uitgestrektheid, ruimte die iets of iemand inneemt of in kan nemen 5. dorp of stad
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
plek , plak , zelfstandig naamwoord , plakke , plakkie , plek, plaats Zet dat maor op z’n plak; Op plakke plaatselijk Op plakke regende ‘t hoekvurrekies Plaatselijk regende het pijpenstelen Zie plaeselek
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
plek , plek , zelfstandig naamwoord , plekke , plekkie , [O] vlek Dà goed heb zeker vochtig gelege, d’r zitte allemael plekke op; Gêên blauwe plek wille haole Geen flater willen slaan
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
plek , plèk , vlek
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
plek , plekke , (zelfstandig naamwoord) , plek.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
plek , plak , 1. plaats, plek; 2. in een schone plak grond een mooi stuk grond , Ge zit óp mén plak, gòt ’r af. Je zit op mijn plaats, ga er af.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
plek , plak , plek , zelfstandig naamwoord , akker, een perceel bouwland (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk; Helmond en Peelland); plak; plek, vlek (Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland); plek; lijm (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
plek , plek , (vrouwelijk) , plekke , plekske , 1. vlek 2. plaats, ruimte 3. vlekziekte , Diene jas zitj vol plekke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
plek , plak , zelfstandig naamwoord , plèkske , Henk van Rijen –  plaats, plek, vlek; WBD III.4.4:195 'plak' = plaats, ook 'plek'; WNT PLAK (III) - plak, in verschillende opvattingen; Agge in plak vant zonnig straandje/ wir rondlôpt dur en natte stad/ dan witte òn al die dinge/ dègge oe vekaansie hèt gehad. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dan ist vurbij...); We zègge niemir „in de plak van“/ Dè hiet naa vort «alternatief». (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et kiendje heej tòch enen èège naom); Twee jaore trug meej de Vadderdag/ begos mene lijeswèg/ in plak van en paor pèkskes sjèk/ Kréék en schèèr vur de hèg. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ik wòcht mar aaf...); PM stuk grond, oppervlakte, 'bójem'; Pierre van Beek – vlek (?); WBD III.4.4:195 'plak','plek' = plaats; WBD III.4.4:196 'plak/plek' = uitgestrektheid; Pierre van Beek – Hèdde naa al en plak in oew nuuw pak?; Verh.PLAK v - oppervlakte, stuk grond: 'n hil plak; A.P. de Bont – plak, zelfstandig naamwoord  1) vr. vlek, smet, klad; 2) vr.+ m. zekere uitgestrektheid land (enz.); Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLAK, PLEK zelfstandig naamwoord v. - plaats, ruimte. Plak maken veur 'n ander. Ge zit hier op mijn plek. Jan Naaijkens - Dè's Biks – plak zn - plaats: mokt es wè plak!
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
plek , plak , perceel; akker
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
plek , plek , vlek
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut