elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: plas

plas , pleskes , Zeer kleine ronde krentebroodjes, die zich met smaak laten gebruiken en veel aan de kinders als een soort van snoeperij worden gegeven.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
plas , plas , dras, Friesch plis.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
plas , [krentenbrood] , plasse , langwerpig krentebrood, tarwebrood met krenten. Gron. plas, plasse; soort van bolletjes die voor bijzondere gelegenheden gebakken worden. Geld. pleskes = zeer kleine, ronde krentebroodjes; Oostfr. plasske = rond, plat wittebrood voor kinderen op Kerstdagen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
plas , plas , plesse , (mannelijk) , plas.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
plas , plas , plasse , soort van bolletje, een gebak voor bijzondere gelegenheden. Drentsch plasse = langwerpig krentebrood. Geldersch pleskes kleine, ronde krentebroodjes. Oostfriesch plasske = rond, wittebrood voor kinderen op Kerstdagen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
plas , plasse , plaase , zie: plassen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
plas , plas , (zelfstandig naamwoord) , w. Zie de wdbb. – Het land leit plas, het staat even onder water. || De Heeren seggen, dat hy sijn voeten soude nat maken, want dat landt lagh plas, Journ. Nomen. – Evenzo in Oost-Friesl.: “dat land is plas, ’t steid man efen bâfen water” (KOOLMAN 2, 725). Ook in de naam van een paar stukken land onder Jisp. || De Voor- en Achterplas (bij de Plassloot). Een stucke lants genoemt ’t plaske, Hs. (Jisp, a° 1642), prov. archief. – Eertijds ook in de ban van Westzaanden. Thans onbekend. || Die plas mit die twee langhe strepen, Hs. T. 118, f° 54 v° (a° 1564), prov. archief.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
plas , plas , (zelfstandig naamwoord) , Meestal in verkl. plassie. Ook in samenstelling krenteplassie. Een soort van kleine, platte, ronde krentebroodjes. Zij zijn van boven een weinig gewelfd en gelijken in vorm op puntsneden van een krentebol. Plasjes worden alleen tegen St. Nicolaas en tegen Pasen gebakken. || Neem maar ’en krentebol en laat ’em nog ’en dubbeltje plassies bezorgen. Ik lust nag wel ’en plassie. Toe, eet jij die plas maar op. – In Friesl. worden de uiteinden van een brood of koek plasse (Stad-Fri. plaske) genoemd; vgl. DIJKSTRA, Uit Friesl. Volksleven 1, 224: “Een ‘stuk koek met twee plassen’ geldt altijd voor een uitstekend kindergeschenk, en geen wonder! het is een gehele koek aan beide einden (plassen) ongerept.” Ook in Gron. (Hunsingoo) is het woord nog gebruikelijk voor het afgesneden einde van iets bols, dus een schijf die aan de ene zijde bol is. Bij MOLEMA vindt men plas vermeld als een soort van bolletjes, die bij bijzondere gelegenheden gebakken worden. Vgl. verder Drents plasse, langwerpig krentebrood. Overijs. plassies, soort van krentebroodjes, Geld. pleskes, zeer kleine, ronde krentebroodjes, Oost-Fri. plaske, een plat, bordvormig Paasbrood voor kinderen. Vgl. voorts Teuth.2, 299: plas (eyn koick of plass als men offert off eyne vlade, libum); plassgebacken, placenta, collirida, laganum, tortella; (ein plas off koick van water end van mele, laganum). – Ook kent men in verschillende Hgd. dialecten platz voor een dunne, platte koek; zie GRIMM, D. Wtb. 7, 1916. Vgl. ook Lat. placenta, Pools plac, placek, een soort koek.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
plas , plessiĕn , broodje.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
plas , plats , rond wittebrood.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
plas , plässien , onzijdig , plässies , hard, beschuitvormig koekje van hetzelfde deeg ongeveer als hadde kouke (knapkoek). ln Staphorst zijn plässies broodjes op de spijslijst van een maaltijd, in Deventer in de 14e eeuw komen plasjes voor. Ook kende men daar soute plas
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
plas , plàsse , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , plàsn , gulzige drinker
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
plas , plats , rónde, platte kreentewek. (WLD III 2.3, 88)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
plas , plats , plat, rond wittebrood.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
plas , plas , plässien , plas.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
plas , plässien , krentenbol.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
plas , plasse , plässie , plas.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
plas , plässie , krentenbolletje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
plas , plas , plasse, plaas, plaze , de , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook plasse (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), plaas (Midden-Drenthe), plaze (Veenkoloniën) = 1. (meestal verkl.) koekje van (grof) meel en stroop (en anijs) Een plassie was een klein koekie, die aj um neijaor kregen (Dwi), Dou heur mor even zo’n plaze (Vtm) 2. langwerpig krentenbrood (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) Wij mussen met de plas hen Hesseln; der was een kleine geboren (Sle), As der een poppien geboren is, meut de grootolders mit de plasse op de gaank (Die), z. ook wegge 3. stukje weefsel, het zgn. koekje, op de tong van een pasgeboren veulen Een völ had een plassien op de tong, dat e der oet mus speien (Pdh) 4. stukje uit paal of stam (Zuidwest-Drenthe) As een paol te dikke is, kuj der een plassien ofhouwen (Wsv), Ik zal even een plassien van die boom ofdoon, dan kuj hum weer kennen als merkteken (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
plas , plas , plasse, plaze , de , plassen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook plasse (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), plaze (Veenkoloniën) = waterplas Wij hebt aaid een plas water veur de baander (Zwin), De kinder leupen dwars deur de plassen hen (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
plas , plès , beschuit, platte, ronde mik van het deeg wat overbleef. verkl. plèske.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
plas , plasse , plas
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
plas , plässien , 1. zie plakke; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: broodje
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
plas , plaas , plas , Zéd'de wir dur dieje plaas ôn't lóópe geweest, ge zé róntelum nat dé zie ik wél. Ben je weer door die plas aan het lopen geweest, je bent rondom nat dat zie ik wel.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
plas , plasse , plessien , zelfstandig naamwoord , de 1. laag water of andere vloeistof op de grond, vaak in een verlaagd gedeelte, in een kuil 2. meer, poel 3. hoeveelheid urine 4. kruin, vooral in een kaele plasse een kaal hoofd 5. (schertsend of enigszins ruw) hoofd 6. kapje (van brood) 7. afgeschaafd of afgesneden vlak stukje, ook: schijfje hout, stukje schors, met name van een boom gehaald om die te merken 8. uiteinde, bovenste laag van het topje van een vinger 9. bep. bovenstuk van een bep. muts
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
plas , plasse , (zelfstandig naamwoord) , plässien , plas.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
plas , pliets , dunne snee brood.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
plas , fles , flesse, fluus , veenplas.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
plas , plas , zelfstandig naamwoord , rond wittebrood (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
plas , plaas , zelfstandig naamwoord , plaaske, plèske , plas; WBD III.4.4:179 'plas' = poel; WBD III.4.4:180 'plasregen' = zware bui; A.P. de Bont – pla.s, zelfstandig naamwoord m. 'plaas' - plas; plèske = WBD koekje dat veulens bij de geboorte in de mond hebben, ook genoemd (Korvel): 'lèèftocht'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut