elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: plakken 

plakken , plakken , den grond met de spade plat slaan. De zôn plakken, de gelegde graszoden vlak slaan. Plakke-schuppe, plat-spade. Platte-kinder, kinderen die nog niet loopen en niet droog zijn. Pl. d. pladde, vodde. Dus eig. lappe- of luierkinderen. In den Codex Argenteus is het plats, lap om een oud kleed te stoppen. Marc. II. 21.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
plakken , plakken , in: iemand iets op ’t oor plakken = hem met iets, bv. eene boodschap belasten. Het sluit in zich dat deze daarvan liever verschoond was gebleven. Zie ook: draien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
plakken  , plekke , plakken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
plakken , plakng , werkwoord, zwak , met de platte hand liefkozend slaan, van dier
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
plakken , plakke , snel gaan, opschieten ’t Plákt nie Het schiet niet op; Bliêve plakke Ergens langer blijven dan bedoeld.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
plakken , plekke , bliêve plekke op een uitgaansplek (feestje) nablijven; In de kroeg bliêve plekke Langer in de kroeg blijven dan gewenst.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
plakken , plakke , good ópschete, vuroêt komme.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
plakken , plakke , opschieten, goed vooruitkomen
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
plakken , plèkke , lang in een café blijven zitten of lang bij iemand op bezoek blijven.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
plakken , plakken , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. plakken, kleven Dizze postzegels willen niet plakken (Eri), Wat is het hier heeit, alles plakt an je lichem vaast (Eex), Het was er zo smerig, ie bleven an de stoulen plakken (Ros) 2. blijven zitten Ie kunt ze niet kwiet worden, ze blieft mar plakken (Bov) 3. behangen Zie waren an het pepier plakken in de kamer (Wee), We mön de kamer nog plakken (Mep) 4. herstellen De baand plakken (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
plakken , plakken , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe) = dik schillen Hie plakt mèer as e schelt (Sle), z. ook plaggen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
plakken , plakken , vorderen, vooruitgaan. plakt ’t al?, gaat het goed vooruit?
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
plakken , plakken , werkwoord , plakken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
plakken , plékke , plakken , Duu vur m'n verjaordag mér'res iet in mekaor plékke, dé vénd oopa hiil schón. Plak voor mijn verjaardag maar eens iets in elkaar, dat vindt opa heel mooi.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
plakken , plakken , werkwoord , 1. met kleefstof e.d. bevestigen, vast doen zitten 2. door plakken herstellen 3. goed kleven 4. vast blijven zitten door kleven lang blijven 6. zich een poosje bij een ander ophouden, een tijdje in de ander z’n gezelschap blijven 7. behangen, behang aanbrengen: in een ruimte, op een muur 8. plaatsen, zetten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
plakken , prakke , uitdrukking , Blijve prakke [Ndp] blijven plakken Ze kwamme om te kortaevende, maor ze bleeve maor prakke Ze kwamen om een korte avondvisite te brengen, maar ze bleven maar plakken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
plakken , plakke , vorderen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
plakken , plèkke , plakken , Ónzen Theej is wir is bleijve plèkke. Onze Theo is weer eens blijven plakken. Hij is weer eens lang weggebleven.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
plakken , plakke , plèkke , werkwoord , opschieten, vorderen (Helmond en Peelland; Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk) plèkke; blijven hangen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
plakken , plèkke , werkwoord , blijven hangen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
plakken , plekke ,  plekdje, geplektj , 1. lijmen, plakken 2. blijven plakken , Poszegels op breve plekke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
plakken , plèkke , zwak werkwoord , plèkke - plèkte - geplèkt , "plakken; uitdrukking - blèève plèkke - niet weten te vertrekken; De Wijs – As ’t nie ineens plekt, zedde twiddes (23-10-1963); De Wijs – Echt iemand om aachter ut behang te plekke en dan te verhuize (04-07-1969); Cees Robben [vrouw over man:] – ...aachter ’t behang plekke en dan verhuize... (19770127); Pierre van Beek – Ik zal vur jou wèl is ene vlieger plèkke (uit dankbaarheid) (Tilburgse Taalplastiek 167); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - nòr Hitselpitsel, daor ist meej kraante dichtgeplèkt ('86) – dooddoener, antwoord op de vraag 'Waarheen?'; WBD III.3.1:45 'plakken' = plakken; WBD III.4.4:209 'plakken' = kleverig worden, plakkerig worden pruuven èn blèève plèkke; WNT PLAKKEN (II) m.b.t. personen: Blijven plakken, geplakt zitten - geen lust hebben om op te staan. A.P. de Bont – zw.ww.intr. 'plekken' - plakken, lang in herbergen blijven. Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLAKKEN, - blijven zitten, toeven. Hij blijft overal plakken. Bosch plèkke - plakken; Iemand, die grote nieuwsgierigheid aan de dag legde, kon te horen krijgen: ""Komde van Gool, hedde soms geit op?"" Het verband tot de nieuwsgierigheid ontgaat ons hier echter. Nieuwsgierige kinderen konden van hun vader als ze vroegen waar hij naar toe ging vernemen: ""Naor Hitselpitsel"" en als ze dan wilden weten waar dit was volgde er: ""Daor is het mee kraanten dichtgeplèkt."" Het wil ons voorkomen, dat we hier wellicht met ""gezinstaal"" te doen hebben. Zoals men weet, verschilt de taal niet enkel van gewest tot gewest, van plaats tot plaats, maar zelfs wel van wijk tot wijk. Zo spreekt men bv. op de Heikant van Tilburg heel anders dan in het centrum. Als nog kleinere gemeenschappen hebben we dan het gezin, dat ook zijn eigen uitdrukkingen heeft, die eigenlijk alleen maar in dit bepaalde gezin verstaan worden. (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - 04-07-1964); plèkmersjant; zelfstandig naamwoord; het tweede lid uit het Franse ‘marchand’; iemand die niet uitbundig is, die tijdens een feest op zijn stoel blijft zitten; Cees Robben – [hij is] aanders unne plek-mersjant... (19600226)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
plakken , plekke , plekde – geplek , plakken
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut