elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: plaggen 

plaggen , [de zoden afsteken] , plaggen , plakgen , zie: afplaggen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
plaggen  , plagge , graszoden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
plaggen , plaggen , Zijnde eene soort van zooden, die egter meest van veldgrond gemaaid worden, en welker gebruik is dezelven met mist te vermengen en nadat ze dus een tijd gebroeid of gerot hebben op de akkers te brengen. [Plaggenmest is onderscheiden van stal-mest.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
plaggen , plaggen , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. plaggen steken (Zuidwest-Drenthe) Oenze volk is in het veld an het plaggen (Dwi), (zelfst.) Dat plaggen, daor muj een scharpe schuppe veur hebben (Noo) 2. dik schillen (Zuidoost-Drents veengebied) Most nich zo plaggen, holdst ja gien eerappels over (Bov), z. ook ofplaggen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
plaggen , plaggen , werkwoord , 1. plaggen afsteken 2. dik schillen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut