elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pips 

pips  , pips , Hae zuut pips oet, hij ziet slecht uit.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pips , pips , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , pips Die kik ook aordig pips toe (Hol), Hij was, dunkt mie, nich lekker, hij har zo’n pips gezicht (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pips , pips , (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. er niet fris uitziend; 2. snibbig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pips , pips , bijvoeglijk naamwoord , flets (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
pips , peeps , pips, bleek , Doe zuus t’r peeps oet.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut