elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pijp 

pijp , pijpen , worden alhier alle langwerpige onderaardsche gangen genoemd, bijv. de pijpen van vossen en konijnen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
pijp , pijp , (vrouwelijk) , pijpen , steenen brug. Voor ruim 250 jaren bestonden hier in de Beemster verscheidene steenen bruggen, die toen reeds pijpen genoemd werden. Sedert zijn zij dien naam blijven behouden. Van de 10 steenen pijpen in de Beemster is de grootste nabij de zoogenaamde Hoornsche keet, lang 15 el. Het woord pijp wordt hier op verschillende voorwerpen toegepast, van daar: tabakspijp, steenen pijp (brug), schoorsteenpijp, kachelpijp, broekspijp, spuitpijp, pijpleider enz. Het beteekent eene ronde buis, dienende tot doortogt van water, lucht of rook.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
pijp , pîpe , (vrouwelijk) , pîpen , pijp.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
pijp , lange piep , Goudsche pijp. “Nou was ’t bie boerenlu altied zóó, dat de jong (vrijer) alle vijrtien doag ijnmoal kwam, zoolang as hōm ’t nijt opzegd wor, en as e nou kwam en ’t wigt hem ’n lange piep brocht, din was ’t kloar, eer nijt.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pijp , piep , piepe , in geschrifte pijp = steenen brug, in de stad Groningen boog, behalve: Marriepiepe (Marwiepijp). Voorts wordt die over het Aduarderdiep Stijntil, die te Winsum boog genoemd; ééne der steenen bruggen te Winschoten heette Engelsche til. “Slagter Blok, bij Marrienpiepe, Kouhoes, an de glende riepe, En de juiste Benjemin, Hadden ʼt raizen ook in ʼt zin.”– “Een wagen met stroo beladen en met twee paarden bespannen, reed de hooge pijp tusschen Scheemda en Eexta op.” (Marwixpijp, aldus genoemd naar Jasper van Marwijck, omstreeks 1525 stadhouder van Groningen voor hertog Karel van Gelre.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pijp , piep , piepe , pijp; kalken piep = Gouwsche pijp; piepketel = pijpekop; pieppreukel, pieppreukelder = pijpuitpluizer; piepask = tabaksasch; hij het de piep oet, fig. = hij heeft, of: kan niets meer. Zie: smoken; meervoud piepen, draineerbuizen, droogbuizen; pipen leggen = an ʼt piepken wezen = bezig zijn met draineeren; ʼn stroat piepen = eene rij van zulke buizen; zij leggen de stroaten negen of tien meter van ʼn kander.
schoone piep = pijp, Goudsche pijp, waaruit nog niet gerookt is, ter onderscheiding van eene voele piep (of: voele piepe, vule piep); alle smookers hollen mijst van ’n voele piep (mits zij er zelf uit gerookt hebben.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pijp , pijpen , zie onder art.: witte darg.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pijp , pijp , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Bij de zeildoekweverij. De gevulde klos, zoals deze in de weversspoel wordt gedaan. Zulk een klos is een gedraaid stokje, dat in het midden dunner is dan aan de uiteinden om meer garen te kunnen opnemen, en waar in de lengte een gat door is geboord; het is dus werkelijk een pijpje. Een lege klos noemt men leeg (zie aldaar); de gevulde heten pijpen. Zegsw. Lange pijpen roken, bij vissers en schippers schertsend voor bomen, het schip voortduwen met de vaarboom. || ’t Is vandaag lange pijpen roken (bij stil weer). – Daar gaat mijn pijp van uit, daar begrijp ik niets van, het gaat mijn verstand te boven. – Vgl. de samenst. kooipijpje, murfpijp, vgl. piep.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pijp , piep* , (zooveel als: rookpijp) zie ook smoken * (deze zegswijs ook bij v. Dale.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
pijp , piepken , zie piepen * 1.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
pijp , piepĕ , 1). pijp; 2). zijbeuk in de kerk (oostĕr-, westĕr-, en bovĕnpiepĕ); 3). soort val in de eendenkooi.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
pijp , pîpken , Pijpje. (H)iee (h)ef ʼn pîpken an, hij is dronken.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
pijp  , piep , piepe , piepke , pijp, ook kachelpijp.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pijp , piepe , vrouwelijk , pijp
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pijp , piepe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , piepn , piepken , pijp
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pijp , piêp , v , piêpe , piepke(s) , pijp, pijpen, pijpjes De piêp roke, stoppe De pijp roken, stoppen; moe, uitgeput De piêp lèèg hébbe De pijp leeg hebben. Moe zijn; doodgaan De piêp uut gaon De doodgaan uit gaan.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
pijp , poip , zelfstandig naamwoord de , 1. Pijp. 2. Gemetselde, boogvormige brug. Zegswijze ientje ’n vieze poip te rouken geven, iemand een zware pijp laten roken, iemand met een moeilijke opdracht opschepen, iemand in het nauw drijven. – Deer gaat m’n poip van uit! nu breekt mijn klomp! – De witte poip, bruggetje met witzilveren leuningen (Spanbroek) verkleinvom poipie 1. Pijpje. 2. Penisje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pijp , poipie , bijvoeglijk naamwoord , in de zegswijze poipie weze, dood zijn. Vgl. Nederlands de pijp uit zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pijp , pie:ëp , pie:p , buis die op de schoorsteen wordt gemetseld; piepke, pijpje; de pie:p an marten gééve, sterven; de pie:p utjgao, sterven, doodgaan, hemelen gaan.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
pijp , pèèp , zelfstandig naamwoord , pijp. 1. Het laatste deel van de Gelderstraat, voorbij het kruispunt Van Leefdaelstraat - Johanna van Brabantlaan, werd De Pèèp genoemd. Aan de westelijke kant die toen nog niet bebouwd was, bevonden zich de loswal van de tram en de wissels die met de hand bediend werden. Op zekere dag ontspoorde de tram omdat kinderen de wissel hadden omgezet. Men was vergeten hem af te sluiten. 2. De pèèp ötgaon is doodgaan.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
pijp , piepe , pijp; * deur een dunne piepe kump weinig rook: het vordert maar, langzaam; det is mie gin piepe tebak weerd: dat is waardeloos.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
pijp , piep , piepe, piebe , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook piepe (Zuidwest-Drenthe, veengeb. Zuidoost-Drenthe), piebe (Veenkoloniën) = 1. pijp om te roken Ie hebt een rechte, een kromme of een kalken piepe (Bov), Dat is mij gien piep tebak weerd niets (Die), Een Duutse piep hef een kop, een staal, een zwik en een bieter (Sle), Even de piepe antrekken opsteken (Dwi), (fig.) Doe gung hum de piep oet hij schrok erg (Wee), Hij zal nog een zwaore piepe roken (Dwi), ...piepe tebak... grote problemen krijgen (Nsch), Praot nog een piep vol blijf nog even gezellig praten (Ros), Hij het de piep vol hij is moe (Row), Hij hef de piep an Maarten geven heeft het opgegeven (Ass), Daor giet mij de piepe van uut ik ben stomverbaasd (Hgv) 2. holle ronde buis De buisies under de dam in het laand zeg wij ook tegen van piepies (Eli), Een iezern piepe is hol van binnen (Flu), Hij leut hum in de piepe kieken in de loop van het geweer (Ruw), (fig.) De olde buurman is onverwachts de piepe uut egaone hij is gestorven (Uff) 3. huls voor garen Neem mij èven 2 piepies ziede met, een blauwe en een rooie (Ruw), Doe de jongs weefden, dee de aol man het piepen spoelen wol voor het weven gereedmaken op pijpjes (ti) 4. deel van arm of been De piep van het peerdebein (Eel), Dat pèerd is kreupel, hij hef een dikke piep (Emm) 5. tuit (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën) De koffie drèeit oet de piep gezegd van goede koffie (Sle), De piep, ...toet van de pomp (Sle), Gao mor mit de mond veur de piepe van de kanne (Hol) 6. (broeks)pijp De linker piep van dizze boks is te kört (Exl), De piepen wazzen mai veuls te nauw (Row), De plietsie zat hum achter de piepen de broek (Ruw), Het is mie netzulfde, of het mie uut de linker of de rechter piebe lop (Vtm), Hij hef de beide piepen vol is dronken (Anl), Die hef ook een goed stuk in de piepe is dronken (Dwij) 7. staafje Doe mor een piepie keneel in de peren (Bal), Een piepien lekkeres pijpje drop (Zwe) 8. schoorsteen De piepe van de botterfebriek (Ker) 9. afvoerpijp Der lop een piep van de dakgeut naor de regentun (Eex) 10. deel van een eendenkooi (Zuidwest-Drenthe, zuid) In de entekooien hef de kooiker nog drok wark um de enten in de piepen te kriegen (Mep) 11. Duitse pijp, plant, Aristolochia (hk:Oost-Drenthe) 12. fluit, in Ik wil niet naor oen piepen daansen (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pijp , piepe , pupe , pijp. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: pupe (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pijp , pieppe , pijp.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
pijp , piip , pijp, deur , Ik gééf ‘r nog gin piip tebak vur. Ik geef er nog geen pijp tabak voor. Het is een waardeloos geval.
Duu die kaauw piip diecht. Doe die koude pijp dicht. Doe de deur achter je dicht, het is koud buiten.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
pijp , piepe , piep, pupe, pijp , zelfstandig naamwoord , de 1. pijp om uit te roken 2. kachelpijp 3. schoorsteenpijp 4. fabrieksschoorsteen 5. holle ronde buis (o.m. om het water onder dammen door te laten) 6. tuit van een koffiekan 7. bep. klos op het spinnewiel, ook: pennetje op een naaimachine waar een klos garen op kwam 8. broekspijp 9. staafje, lang rond stukje materiaal 10. (bij paarden en koeien) gedeelte van het voorbeen tussen knie en koot 11. vangpijp van een eendenkooi 12. in de piepe uutgaon sterven 13. in naor iene zien piepen daansen naar iemands pijpen dansen 14. in de piepe uuthebben moe zijn, er genoeg van hebben
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pijp , paip , pijp , zelfstandig naamwoord , paipe, pijpe , paipie, pijpie , 1. [Nbl] pijp 2. schoorsteen; [Nbl] Hij zel nog een zwaere paip rôôke Hij zal er nog grote moeite mee hebben; 3. pijp [O] lampenglas De lamp brandt zôô slecht omdat de pijp scheef staet
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
pijp , piepe , (zelfstandig naamwoord) , pijp.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
pijp , peijp , pépke , pijp
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
pijp , piepe , peep, pupe, puppe, puup, puupe , pijp, peupe (Doornspijk, Nunspeet); de piepe kats leeg hebben, helemaal op zijn; puupschoft, rookpauze..
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
pijp , piepies , pijpenstro (molinia caerulea) (Oene).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
pijp , piep , (vrouwelijk) , piepe , piepke , 1. pijp, buis 2. tabakspijp , Dao ging ’m de piep van oet: daar stond hij paf van.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pijp , pèèp , zelfstandig naamwoord , verkleinwoord: pèpke; I om tabak te roken; Ze zèn nog gin pèèp tebak wèrd. Ze zijn nog niet dàt waard. Ik zaat giesteren aovend op m'n gemak m'n pepke te rooken achter de kachel (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929); Figuurlijk daarbij: Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pèèp zn - pijp; de pèèp ötgaon - doodgaan; Grôot Diktee-08: der komt vur ons allemòl ene tèèd dèmme ... de pèèp öt gaon; II anatomie van het paard; WBD pèèp - pijpbeen (v.e. paard), ook 'aachterpèèp' genoemd; III in de textielindustrie; WBD pèèp (II:990) - scheerklos; ook: schèèrklòs of schèèrtèùt genoemd (z.a.); WBD pèèp (II:1030) - pijp: spoelpijp; ook: tèùt of klòs; Henk van Rijen: pèèpe afsnulle - oud garen van pijpen halen (textiel); IV konijnenhol; WBD III.4.2:65 'pijp' - konijnenhol, ook 'nest' genoemd of 'hol'; pèpke; verkleinwoord; van 'pèèp', met vocaalkrimping; pijpje; Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'mar goed deh 'k nog m'n pepke ròok'; Cees Robben – Driekus smakte aon z’n pepke (19590627); Audioregistratie 1978 – “…meej de hand was dè die spoele dòr die, dòr die pèpkes inzitte, die krêege ze dan meej, die pèpkes meej gaore derop, dan wier derin gezèt èn moesie nòr geen toe, nòr diejen bak…” (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels); Henk van Rijen: òn zen pèpke lörke - zijn pijpje roken; WBD III.2.3:287 'pijpje' = sigarenpijpje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
pijp , pie~p , pie~pe , piepke , pijp
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut