elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pijl 

pijl , pijl , voor spier. Men zegt hier graspijltjes, haarpijl, een pijltje stroo, hooi en diergelijke.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
pijl , pîl , voor pijl, alleen voorkomende in samenstellingen als: pîlsteert of pîlstart, de naam voor den vlinder pijlstaart, en voor een kind, waarvan niet de vader, maar alleen de moeder van adel is; pîl op, recht naar boven; voor ndl. pijl is flitse of straole in gebruik.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
pijl , pijl , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Ook als benaming voor de eerste uitspruitsels, de jonge spruiten van het riet, die in het voorjaar boven water komen uitsteken. || De kanten (der wateren) moeten vrij van pijlen van riet en andere waterplanten en glad worden opgemaakt, Keur v. d. Polder Assendelft (a° 1894). – In Z.-Nederl. zegt men graspijl in de zin van grassprietje (Ned. Wdb. V. 585; DE BO2, 229). – Vgl. verder de samenst. haalpijl.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pijl  , piel , pijl.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pijl , piil , pijl
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pijl , piele , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , pieln , pielken , pijl
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pijl , poil , zelfstandig naamwoord de , 1. Pijl. 2. Jonge rietspruiten. Zegswijze de poil is an, gezegd van iemand die kwaad wordt, die iets niet langer duldt. Eigenlijk gezegd van een dier dat door een pijl geraakt is en tot razernij vervalt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pijl , piel , dunne lichte staaf van hout met een scherpe punt die met een boog naar een doel wordt afgeschoten.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
pijl , piele , pijl.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
pijl , piel , piele , de , pielen , Ook piele (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. pijl De jonges bint buten mit de piel en baoge an het schieten (Bro) 2. richtingaanwijzer (veroud.) De auto’s van vroeger hadden een piel as richtinganwiezer (Bor), Hij wil ofslaogen, hij het de piele naor links (Erf) 3. slechte koffie (Midden-Drenthe) Zukke piel zoep ij zölf mor op (Eex) 4. penis Hai kreeg de piele tussen de ritsloeten (Eco), Hie haar de piel oet de boks hangen (Bal), Is er garaantie op? Antw. Ja, zolang aj de piele in het vuur kunt holden (Zdw), z. ook pieleman, stummel 5. bliksemschicht (Veenkoloniën, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Dat was ain piele stail naor beneden (Vtm), z. ook pielder I *Een kerel as Karst / Die de broek barst / De piele stiet / En alle aovends uut vrijen giet (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pijl , piele , pijl.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
pijl , pielke , piel, pijl , zelfstandig naamwoord , de 1. pijl 2. pijl als richtingaanduiding 3. vuurpijl 4. (verouderd) richtingaanwijzer aan een auto 5. dobber 6. stoppel in de huid van een kip
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pijl , piele , piel , zelfstandig naamwoord , de 1. lid van een manspersoon, penis 2. richtingaanwijzer aan een auto in de vorm van een pijl
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pijl , pijl , zelfstandig naamwoord , halm, stengel van gras of graangewas (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
pijl , piel , (mannelijk) , piele , pielke , pijl , Dao kóns se geine piel op trèkke. Piel en baog.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pijl , pèèl , zelfstandig naamwoord , 1. pijl; pèèl èn boog; 2. haarpijl; De protestante waaren in al die jaore gin pèèl veraanderd. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PIJL zelfstandig naamwoord m. - haarpijl, Fr. un cheveu, un poil. Hij hée gee(n) pijl meer op zijnen blottekop staan. zie hòrpèèl
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
pijl , pie~l , pie~le , pielke , pijl
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut