elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: perceel 

perceel  , persiel , perceel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
perceel , pesiiel , [pәsīel] , perceel. Vån pesiiel wiään: in de war zijn.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
perceel , peseel , zelfstandig naamwoord, onzijdig , peseeln , peseelken , perceel. Van t peseel, van zijn stuk
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
perceel , pesseel , 1. perceel. 2. in de war zijn, b.v.: van pesseel zijn = in de war zijn van emotie, van droefheid of anderszins.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
perceel , pesseel , 1. van pesseel: in de war; 2. perceel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
perceel , perciel , perceil, perceel, persail , het , percielen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook perceil (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe), perceel (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), persail (Veenkoloniën) = 1. perceel Ik heb een perciel dennen koft in het Staatsbos (Sle), Hij hef nog ien perciel laand an de weg liggen, de rest hef hij verkocht (Bro) 2. grote hoeveelheid (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Hij hef een hele perceel rommel ekocht (Flu) 3. (Zuidwest-Drenthe), in van het perciel van de kook Die is hielmaol van het perciel (Geb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
perceel , peseel , perceel. Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Is een peseel ‘het is een lastige zaak’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
perceel , perseel , perseeltien , perceel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
perceel , perceel , zelfstandig naamwoord , et 1. perceel, door greppels, afrastering e.d. afgebakend stuk land, aaneengesloten stuk land, ook: het gewas daarop 2. elk der partijen bij een verkoping 3. flinke hoeveelheid eten 4. flinke hoeveelheid ontlasting, in verb. als De hond het een hiel perceel daon 5. persoon (die eigenaardig of lastig is), bijv. een wies perceel een eigenwijs, verwaand iemand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
perceel , peseel , (zelfstandig naamwoord) , perceel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
perceel , peseel , perseel , van perseel wezen, van streek zijn; een raor pe(r)seel, raar persoon.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
perceel , persieël , (onzijdig) , persieële , persieëlke , perceel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
perceel , percie~l , perceel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut